BALI REISVERHALEN
Traditioneel Bali
Bali Reisverhalen
Wonderful Bali
Bali Photo Gallery
Wonderful Bali Home
About Wonderful Bali
Wonderful Bali Picture Albums
Wonderful Bali Pictures
logo picture Wonderful Bali - Barong and Rangda
Wonderful Bali Maps
Wonderful Bali Specials
Wonderful Bali Links
Contact Wonderful Bali

ga naar de verhalen index
 
 
MAGIE IN DENPASAR

Voor het blok na een vreemde optocht in Denpasar

Ik voel een windvlaag over mijn gezicht strijken en een tel later begint het te regenen. Niet zachtjes en geleidelijk aan, zoals thuis, maar in ene keer, gelijk met bakken uit de hemel! Ik pak m’n tas op en voel me als een figurant in Marty Feldman’s "Instituut voor Moeilijke Lopers" als ik, al plassen en vuilhopen ontwijkend, over de slecht bestraatte Jalan Pulau Misol een sprintje trek naar de hoek met een hoofdweg die een meter of honderd verderop ligt te lonken.

Volkomen doorweekt sla ik even later het hoekje om. Witte letters op een groen straatnaambordje vertellen me dat ik me op de Jalan Teuku Umar bevind. Het is een vrij drukke straat waarlangs veel bedrijfjes, winkeltjes en restaurantjes zijn gevestigd. Ik speur de nabije omgeving af, op zoek naar een geschikte gelegenheid om voor dit noodweer te schuilen. Mijn oog valt op een eethuisje met de naam "Rasa Sayang", daar links een meter of vijftig verderop aan de overkant van de straat. Met een laatste krachtsinspanning trek ik er nog een sprintje uit.

Druipend van het water open ik de deur van het eethuisje en stap er naar binnen. Ik sta even stil in de ingang om op adem te komen en met halfgespreide armen sla ik het water enigszins van me af. Ondanks de regen zweet ik als een otter en ik ben dan ook blij als ik merk dat deze eetgelegenheid van airconditioning is voorzien. Terwijl ik met de vingers van een hand de natte slierten van mijn haardos naar achteren strijk, kijk ik even rond waar het lot me naartoe heeft gebracht. Het is hier behoorlijk druk, zie ik. De meeste`tafeltjes zijn bezet, maar bij het raam daar is gelukkig nog een tafel vrij.

Met m’n voeten soppend in m’n schoenen stap ik op het tafeltje af om het voor ‘t komende uur te confisceren. Het personeel is attent, glimlachend brengt iemand me vrijwel direct nadat ik op de stoel ben neergestreken een menukaart. Rasa Sayang blijkt een Chinees-Indonesisch eethuisje te zijn. Ik zie dat het onder andere ook vegetarisch gerechten op het menu heeft staan. Bovendien is het spotgoedkoop.

Terwijl de Balinese ober geduldig naast me staat te wachten, zoek ik wat lekkers uit. Ik bestel tenslotte een thee en een chap chay met witte rijst. De ober knikt glimlachend en loopt dan naar achteren weg om mijn bestelling aan de keuken door te geven. Terwijl ik wacht op de versterking van de inwendige mens, kijk ik door het raam naar de door de regendruppels op de ruit grillig vervormde bedrijvigheid op de Jalan Teuku Umar. Ik ben vanmiddag om twee uur pas op Bali gearriveerd en heb me in de namiddag, vanuit mijn hotel in Legian, per taxi in Denpasar laten afzetten om te voet de stad wat te gaan verkennen. Maar ik had niet verwacht dat ik door zo'n noodweer overvallen zou worden. Ah, daar komt de ober al aan met mijn bestelling.

Een kwartiertje later schuif ik met een tevreden gevoel m’n bord van me af. Het heeft heerlijk gesmaakt, alhoewel de sambal wel erg heet was. Ik bestel nog een thee en kijk weer naar buiten. Het is inmiddels opgehouden met regenen, maar zo aan de lucht te zien kunnen we elk moment nog wel meer verwachten. Dan wordt mijn aandacht getrokken door een vreemde, kermisachtige optocht die met vlammende fakkels en met veel lawaai van knallende rotjes en schelle fluitjes over de Jalan Teuku Umar voorbij trekt.

Een stuk of vijf, zes grote bamboe platforms, waarop afzichtelijke reuzen zitten, worden elk door enkele tientallen Balinezen op de schouders meegetorst en rondgedragen. De meeste van hen dragen rode hoofdbanden en zwarte T-shirts, waarop op de achterkant met witte letters de tekst “Tahun Çaka 1925" staat gedrukt.

De ober zet een vers glas thee voor me neer op tafel, en ik blader in m'n "Indonesisch voor op Reis", een handig vertaalboekje dat ik voor m'n vertrek op de Albert Cuyp heb gekocht van een bereisde, kalende man die Herman heet. Nou, díe kan verhalen over Bali vertellen! Ik zoek het woord 'tahun' op en lees dat dit ‘jaar’ betekent, maar het woordje çaka kan ik nergens vinden. Ik neem een slok thee en peins me suf wat de reden voor die optocht zou kunnen zijn. Wie of wat is Çaka, en wat gebeurde er 78 jaar geleden, in het jaar 1925? Ik kom er niet uit en concentreer me weer op die merkwaardige optocht.

De platformdragers zwalken nu van links naar rechts over de volle breedte van de Jalan Teuku Umar. Zo af en toe draait zo’n platform een wilde pirouet en helt daarbij dan gevaarlijk over. De buitenste dragers slierten door die wilde bewegingen met vrij grote snelheid in het rond, en de toeschouwers die langs de kant van de weg staan te kijken, springen zo nu en dan gehaast naar achteren als de platformdragers hen dreigen te torpederen.

Als de merkwaardige optocht voorbijgetrokken is, begint het weer te regenen. Ik bedenk me dat ik het beste nog maar even blijf zitten totdat het weer droog is … het lijkt hier jandorie Nederland wel! Maar ik ben op vakantie, praat ik mezelf moed in, en de regen duurt hier nooit lang (dat heb ik tenminste ooit eens gelezen in een artikeltje dat ik op het Internet vond).

Ik blader nog een tijdje door Herman's boekje in een poging om me het Indonesisch wat beter eigen te maken. Als ik na verloop van tijd van m'n boekje op kijk, is het gelukkig al weer droog. Ik merk ook dat ik inmiddels de enig overgebleven klant in het zaakje ben. De andere klanten hebben alle inmiddels al afgerekend en zijn met onbekende bestemming vertrokken. Een grote witte klok die aan de muur tegenover me hangt, wijst tien voor half elf aan.

Ik heb nog geen zin om naar m'n hotel in Legian terug te gaan en ik voel er veel voor om maar van de gelegenheid gebruik te maken om, per taxi dan, Denpasar bij Nacht eens wat te gaan verkennen. Een avondje stappen in Denpasar is, zelfs als het regent, toch een heel stuk opwindender dan teruggaan naar je hotel om daar in je kamer op bed naar de regen te gaan liggen luisteren, bedenk ik me.

Het bedienend personeel staat bij een kleine balie achter in de zaak zacht met elkaar te praten. Zo nu en dan werpen ze een blik naar me. Ik begin erop te letten, en ik krijg het gevoel dat ik weggekeken wordt. Ik denk dat het al over sluitingstijd is en dat het personeel naar huis wil. Ik steek m’n hand op en maakt het internationale ‘betalen’ gebaar. Een van de leden van het bedienend personeel begeeft zich achter de balie en noteert daar iets in een klein bloknoot. Hij staat even met de pen in z’n mond naar het zojuist geschrevene te kijken, verbetert dan wat, en scheurt het velletje tenslotte van het bloknoot. Met het velletje in zijn hand loopt hij naar me toe en legt het voor me neer op tafel. Ik pak het op, en terwijl ik lees wat er geschreven staat, staat de boodschapper naast me ongeduldig van het ene been op het andere te wiebelen. Ik lees dat ik dertienduizend rupiah moet betalen.

Ik open m’n knip en vis er een briefje van 20.000 rupiah uit. Terwijl ik zit af te rekenen, vraag ik of ik misschien een taxi kan bestellen om Denpasar wat te gaan verkennen. Glimlachend wordt me verteld dat dat helaas niet meer gaat. Iedereen zit al thuis, dus ook de taxichauffeurs, is de verbijsterende reden. Maar m’n portefeuille valt uit mijn hand als er aan toe wordt gevoegd dat over een goed uur niemand meer de straat op mag, erger nog, tot zonsopgang overmorgenochtend mag niemand zich nog op straat vertonen!

“Njeppie”, besluit de ober terwijl hij zich omdraait en naar de toonbank loopt om het wisselgeld te halen.

Ik geloof dat ik een probleem heb.....


Gered door een oude priester-balian

Het is kwart voor elf als ik het Chinees-Indonesisch eethuisje Rasa Sayang verlaat. Mijn hersens werken op volle toeren om een oplossing te bedenken. Hoe vind ik zo op stel en sprong, op dit late tijdstip, in een buitenwijk van de mij onbekende stad Denpasar, ergens onderdak voor de komende dertig uur?

Terwijl ik zo in gedachten verzonken de deur open en de straat op stap, loop ik bijna een oude man ondersteboven die net op dat moment voorbijloopt. Hij draagt een witte sarong en een wit jasje met lange mouwen dat voorzien is van goudkleurige knopen. Zijn hoofd is getooid met een gesloten witte doek die zijn kruin verbergt. Zijn verweerde donkerbruin gezicht toont een landschap van groeven en rimpels. Hij heeft een een sikje van borstelig, grijswit haar en een dun, sprietig snorretje dat in dezelfde grijze tinten is uitgevoerd. Precies in het midden van zijn gerimpelde, donkerbruine voorhoofd en op z’n slapen kleven witte korrels rijst.

Terwijl ik hem in een reflex bij de arm grijp om te voorkomen dat hij valt, merk ik op dat in een vouw aan de achterkant van z’n witte hoofddoek een kleine beige-gele bloem zit gestoken. Ik put me uit in verontschuldigingen. Met handen en voeten maak ik duidelijk dat het mijn schuld was, ik had beter moeten uitkijken. Ik leg uit dat mijn gedachten er niet bij waren omdat ik er net achtergekomen ben dat (kijk om mijn horloge) over een uur en tien minuten niemand meer de straat op mag. En dat ik geen vervoer heb naar mijn hotel in Legian.

De oude man hoort me zwijgend aan, glimlacht even en buigt zich dan licht, terwijl hij zijn handen met gesloten en gestrekte vingers voor zijn borst tegen elkaar houdt, de vingertoppen op kinhoogte. Ik bewonder enkele prachtig bewerkte zilveren en gouden ringen (voorzien van schitterende stenen) die zijn vingers sieren. Zijn donkere ogen kijken me doordringend aan. Na een kort ogenblik van stilte zegt hij tenslotte: “Marie!”, en met zijn gerimpelde rechterhand maakt hij een uitnodigend gebaar om hem te volgen. De in het wit geklede oude man intrigeert me dus ik besluit om op zijn uitnodiging in te gaan.

We begeven ons in noordoostelijke richting te voet op weg over de Jalan Teuku Umar. De oude man in het wit en ik zijn nagenoeg de enige voetgangers, het is al bijna uitgestorven op straat. Gelukkig is het nog steeds droog. Uit het donker van een steeg klinkt het gegrauw van een paar honden dat plotseling eindigt in een hoog gejank. De vreemd aandoende stilte die op straat heerst, is opvallend. Ze wordt slechts een enkele keer onderbroken door een snel voorbijrijdende auto of een motor. Ik krijg ineens associaties met een Oudejaarsavond in Leiden, eind jaren zeventig, toen ik me ook rond dit tijdstip op straat bevond. Eenzelfde soort stilte. Een opwindende maar tevens onheilspellende stilte waarbij iets in de lucht hangt, met af en toe zo’n eenzame, aankondigende knal van een rotje en het geluid van een auto die bijna te laat is.

Zwijgend lopen we voort en ik luister naar het zachte ritimische geklepper van zijn versleten zwartleren sandalen op het stenen plaveisel van de stoep. Na een paar minuten slaan we rechts af, de iets smallere Jalan Pulau Tarakan in. Op de hoek ligt een hele berg kleine offertjes die overwegend dor lichtbruin en vaalgroen van kleur zijn. Ze liggen wanordelijk op een hoop voor een kleine bamboe stellage waarvan de top net wat hoger is dan ooghoogte.

We volgen de Jalan Pulau Tarakan gedurende een minuut of tien en slaan dan weer rechtsaf, de nog smallere Jalan Fajar II in. Het plaveisel van deze straat zit vol met gaten en kuilen en er liggen talloze plassen waardoor we ons zigzaggend moeten voortbewegen. Halverwege de straat stopt de man voor de versleten houten deur van een oud pand en haalt een grote, zwarte sleutel uit de zak van zijn jasje. Hij steekt de sleutel in het sleutelgat, draait de deur van het slot en duwt hem open.

Dan draait hij zich naar mij toe, maakt weer dat gebaar met die gesloten handen voor zijn borst en zegt met een lichte buiging, “silahkan masuk (kom binnen)”. Een lichte geur van wierook drijft vanuit het inwendige van het huis naar buiten en ik denk dat dat gebaar met die handen een beleefde groet is. Ik maak hetzelfde gebaar en zeg, “Nescio, from Holland”. De oude man lacht alsof ik zojuist een goede mop heb verteld en gebaart me dan hem naar binnen te volgen.

De oude man reikt naar een lichtknopje dat zich links naast de deur tegen de muur bevindt en een klein peertje van zo’n 15 Watt floept aan. In het spaarzame licht dat het peertje verspreidt, zie ik dat ik me in een klein, open halletje van ongeveer twee bij twee meter bevind. Aan de overzijde van het halletje loopt een kort en smal gangetje, waaraan zich aan de rechterzijde twee deuren bevinden, elk voorzien van een gesloten, groen gordijn dat tot aan de grond reikt. Het gangetje leidt naar een donkere ruimte achter in het huis, waar ik een flakkerende, rode gloed waarneem die grillig bewegende, donkere schaduwen op de achtermuur werpt. Vlak voor die donkere ruimte met de rode gloed zie ik een smalle trap die naar een hogere etage leidt. Op de grond van het halletje ligt een rechthoekige, donkerrode mat met een zwart zigzag motief. De oude man gebaart me hierop plaats te nemen. Dan loopt hij de donkere ruimte achter in het huis in.

Ik zet m’n tas neer en neem plaats in kleermakerszit, met m’n rug steunend tegen de muur. Links van me, onder de trap, bakent een eenvoudige houten kast waarin wat glazen en kleine snuisterijen staan het halletje af. Aan de pokdalige muur tegenover me hangt achter het gebarsten glas van een fotolijstje een verkleurde foto waarop ik de oude man in een jongere versie herken, samen met een vrouw van ongeveer dezelfde leeftijd en een jongeman wiens gezicht een sterke gelijkenis met dat van de vrouw vertoont.

Even later keert de oude man weer terug en neemt tegenover me plaats terwijl hij zegt, “kopi dulu”. Het is te donker om Herman’s boekje te raadplegen maar ik vermoed dat “koppie” koffie betekent, dus ik knik maar bevestigend als antwoord. Mijn vermoeden blijkt juist als even later een oude vrouw uit de donkere ruimte tevoorschijnt komt. Ze heeft een dienblad in haar handen waarop twee glazen zwarte koffie en een schotel met verschillende lekkernijen staan, onder andere roze en gele matvormige koeken, wat bananen, en een stuk of wat kleine vierkante pakjes van dichtgebonden groene bladeren.

Ze zet het blad tussen ons neer op de mat en zegt met een vriendelijke glimlach, “minum!”. Ik knik vriendelijk glimlachend terug. De oude man kijkt me aan en gebaart dan naar de koffie. Ik knik weer en neem dan een van de twee glazen. Voorzichtig neem ik een klein slokje. De koffie is heet en mierzoet. Ik steek m’n duim op en zeg, “good!” (ik hou wel van zoet). De oude vrouw knikt goedkeurend en loopt dan terug de donkere ruimte in.

Het is warm en vrij benauwd in het halletje. Door het drinken van de zoete hete koffie begin ik al snel te zweten. Ik zet mijn glas voor me neer op de mat en pel een banaantje. De oude man merkt dat ik het warm heb en zegt dan ineens in het Nederlands, “het is warm he?”. Verbaasd dat ik hem Nederlands hoor spreken kijk ik op. “U spreekt Nederlands?”, vraag ik naar de bekende weg.

De oude man lacht en zegt, “jawel, maar dat is niets bijzonders hoor. Ik heb de laatste periode van het Nederlandse koloniale tijdperk nog meegemaakt, net zoals zovele van mijn leeftijdgenoten, en het Nederlands was gedurende die tijd de voertaal bij officieele aangelegenheden, vandaar".

"Mijn naam is Jero Gede Mertha. Je kunt me Pak Jero noemen, als je wilt. Normaalgesproken woon ik in het dorpje Bhuanasari, vlak bij Singaraja in Noord Bali, maar als er belangrijke ceremonies zijn, keer ik terug naar mijn geboortestad Denpasar en woon ik in dit huis".

Hij kijkt naar een klok die boven me aan de muur hangt en merkt op dat het precies middernacht is. Hij legt uit dat nu een dag van stilte en meditatie begint die door de Hindus op Bali ‘Nyepi’ wordt genoemd. Het is de eerste dag van 1925, het Balinese nieuwe jaar volgens de Çaka maankalender van Bali, een dag die telkens plaatvindt na 'Tilem Sasih Kesanga', de negende nieuwe maan van het jaar.

Dan staat Pak Jero op. Hij loopt naar een van de kamertjes en verdwijnt voor een kort ogenblik achter het groene gordijn. Als hij terugkomt, heeft hij een soort sjaal in zijn hand. Hij overhandigt me de sjaal, en maakt me duidelijk maakt dat ik deze om mijn middel moet binden. Ik bind de witte sjaal, die zijdezacht aanvoelt, om mijn middel en vraag me af wat er nu gaat gebeuren.

Pak Jero loopt naar de trap en wenkt dat ik hem moet volgen.


Vurige meditatie op een zolderkamertje

Met mijn handen steun zoekend tegen de muur klim ik voorzichtig achter Pak Jero aan de smalle trap op. De trap komt uit bij een geopend vierkant luik in het plafond en ik moet me bukken om mijn hoofd niet tegen de rand ervan te stoten. Als ik mijn lange lichaam door het luik heb gewurmd en me op de vloer gehesen heb, knipt Pak Jero een lampje aan (alweer zo’n 15-Watter).

Ik kijk om me heen en zie dat ik me in een kleine ruimte van ongeveer vier bij vier meter bevind welke op een houten tafel na, die tegen een muur staat opgesteld, leeg is. In een van de muren bevindt zich een klein raam dat met een houten luik gesloten is. Op de tafel bevinden zich verschillende voorwerpen. Midden op de tafel staan twee op kokers gelijkend bakjes (elk ongeveer twintig centimeter hoog en twaalf centimeter in doorsnede) die gemaakt zijn van aan elkaar geregen repen groene en beigebruine bladeren. In die kokers bevindt zich onder andere een kleine, kaalgeschoren kokosnoot en een bruin ei. Ernaast staat een zilverkleurige schaal met een opstaande rand waarop verschillende soorten fruit en steelloze bloemen liggen. Links op de tafel zie ik een koperen beeldje en een rijkbewerkte bel waarvan de lange steel in een knop met twee vleugels eindigt, en rechts staat een ongeveer veertig centimeter hoog, zwarthouten beeld dat getooid is in een zwartwit geblokte sarong. Het hoofd van het beeld heeft halfgesloten ogen en van die typische, strak glimlachende rode lippen, waardoor ik onwillekeurig aan de Mona Lisa moet denken.

Aan de muur, op hoofdhoogte boven de tafel, is een rechthoekige bak van geelgeverfd hout bevestigd welke door twee parasolletjes (een witte en een gele) wordt geflankeerd. Op de rand van de bak zijn decoraties van groene en rode stof bevestigd, voorzien van ingenaaide, goudkleurige sterren. Aan de voorzijde van de bak hangt een gele lap stof waarop ronde spiegeltjes en goudkleurige figuurtjes zijn bevestigd. In de bak zelf staan of liggen verschillende voorwerpen, ik zie onder andere een grote plastic fles die halfgevuld is met een doorschijnende vloeistof, enkele kleine bruinkleurige flesjes (waarvan er eentje met ijzerdraad aan de voorzijde van de bak is bevestigd), een halfroestig blik en wat potjes en doosjes. Aan de linkerhoek van de bak hangt verder nog een ongeveer vijfendertig centimeter lange kris met een gebogen, gladde houten greep.

Pak Jero gebaart me te gaan zitten op een mat die tegenover de tafel langs de muur ligt. Als ik er naartoe loop, buigen de houten planken van de vloer gevaarlijk krakend onder mijn voeten door. In kleermakerszit sla ik Pak Jero gade. Hij rommelt wat ik de gele bak en haalt er een bundeltje lange wierookstaafjes uit. Vervolgens vist hij een doosje lucifers uit de zak van z’n jasje, strijkt een lucifer aan en houdt het vlammetje onder de bundel wierookstaafjes in zijn hand. Ik zie hoe het vlammetje aan de uiteinden van staafjes likt en hoe ze langzaam gezamelijk beginnen te ontbranden, om dan een vlammende en rokende fakkel van vuur te vormen. Met gestrekte arm zwiept Pak Jero het bundeltje heen en weer zodat de vlammende vuurtong weer dooft en nog slechts de gloeiende vermiljoene topjes van de staafjes zichtbaar zijn. Een walm van wierook drijft mijn kant op en prikkelt mijn neus.

Pak Jero neemt een stuk of negen van de staafjes en plaatst deze in het klein bruin flesje dat aan het midden van de lange zijde aan de gele bak bevestigd is. Dan bukt hij zich en pakt een zwart plastic tasje dat onder de tafel ligt en haalt er twee kleine ronde offertjes uit die elk uit een bakje gemaakt van gewoven stroken bruine bladeren bestaan, waarin enige trosjes bloemblaadjes (ik zie gele, blauwe, rode en witte) en wat groene sprietige blaadjes liggen. Met die twee offertjes en de overgebleven wierookstaafjes loopt hij naar me toe (waarbij het valt me opvalt dat ik de planken van de vloer niet onder zijn voeten hoor kraken).

Pak Jero plaatst een van de twee offertjes voor me op de mat en gaat dan rechts naast me zitten. Het overgebleven offertje plaatst hij voor zichzelf op de grond. Hij legt een staafje brandende wierook dwars over elk van de offertjes en zegt dan, “Ik nodig je uit om nu, hier in de heilige kamer, met mij te gaan mediteren. Houd tijdens het mediteren je ogen open en haal diep en rustig adem. En wat er ook moge gebeuren, houd je ogen open en wees niet bang. Durf je?”

M'n hart klopt in m’n keel als ik antwoord dat ik niet bang ben, en ik voeg eraan toe dat ik nog nooit gemediteerd heb en dat ik dus niet weet wat ik moet doen en wat er van me verwacht wordt. Pak Jero herhaalt dat ik me geen zorgen hoef te maken. Ik moet me gewoon ontspannen en diep en rustig adem blijven halen. Terwijl hij me indringend aankijkt, herhaalt hij nogmaals dat ik hoe dan ook mijn ogen open moet houden en dat ik niet bang mag zijn, wat er ook gebeurt. Ik knik en produceer een moeilijke glimlachje in een poging om aan te tonen dat ik hem begrepen heb en dat ik niet bang ben. Dan geeft Pak Jero me een wierookstaafje, staat op en doet het licht uit.

Terwijl mijn hart ik m’n keel klopt, kijk ik in het pikkedonker met wijdopengesperde ogen naar het enige dat nog zichtbaar is, de gloeiende puntjes van de wierookstaafjes.

Ik span mijn ogen en oren tot het uiterste in. Pak Jero bevindt zich voor de tafel, ik zie het gloeiende puntje van zijn wierookstaafje daar omhoogrijzen richting het plafond. Met monotone stem prevelt hij iets in onverstaanbare woorden. Dan is het weer stil en het vermiljoene lichtpuntje daalt weer. Even later hoor ik een schurend, metaalachtig geluid. Ik vermoed dat hij zojuist de kris uit de schacht heeft getrokken. Ik houd mijn adem in en met kloppend hart spits ik mijn oren. Gedurende een paar lange tellen is het doodstil en hoor ik slechts het bloed in mijn oren gonzen. Het gloeiende puntje van het wierookstaafje gaat nu weer omhoog, en ik zie hoe de rode gloed van de brandende wierook zwak weerkaatst wordt door het metalen blad van de kris die door Pak Jero nu samen met het wierookstaafje boven zijn hoofd omhoog houdt. Zijn zachte stem begint weer iets mompelen, en dan daalt het rode vuurpuntje weer. Een korte stilte. Dan, plotseling, hoor ik drie korte, doffe tikken voor me uit de vloer oprijzen (alsof er met metaal op hout wordt geklopt). Pak Jero prevelt weer iets, en dan opeens wordt de stilte doorbroken door het hoge, harde geluid van een bel, “Ting-ting, ting-ting, ting-ting, ting-ting, ting-ting…”

Het harde bellende geluid weerkaatst door de kleine ruimte en doet op den duur zeer aan mijn oren. Terwijl de bel luidt, hoor ik Pak Jero met hardere stem spreken en zo af en toe vang ik een herkenbaar woord op, zoals “Oom”, “Brahma” en “Vishnu”, en ook hoor ik hoe hij enkele keren mijn naam noemt, “Nescio”. Plotseling houdt het bellende geluid op en is het weer doodstil. Ik hoor hoe Pak Jero mijn kant op komt en weer rechts naast me gaat zitten. Uit mijn ooghoeken kijk ik opzij en ik zie hem als een vage witte schim naast me zitten terwijl hij zijn brandende wierookstaafje in stilte boven zijn hoofd houdt.

Plotseling haalt hij luid en diep adem. Ik hoor hoe hij de lucht gedurende een paar langgerekte tellen sissend tussen zijn lippen inhaleert. Even plotseling als het begonnen was, breekt het geluid weer af. Ik houd mijn adem ook in maar wacht tevergeefs af ik tot ik hem weer hoor uitademen. Minutenlang blijft het doodstil en ik begin me ongerust te maken, er zal hem toch niets overkomen zijn? Dan verstijf ik als ik hem ineens weer hoor uitademen. Wat ik hoor is een angstaanjagend, langgerekt en ver geluid dat van achter uit zijn keel schijnt te komen, “Hàhhhhhhhhhhhhh”. Het geluid klinkt onheilspellend, als een monotone wind op een donkere, onherbergzame vlakte. Secondenlang houdt het geluid aan en sterft dan langzaam weg, een doodse stilte achterlatend.

De adrenaline stroomt door m'n lijf en ik voel m'n hart bonken in mijn keel. Het blijft even doodstil. Opeens voel ik hoe een zachte warmte via mijn handen over mijn armen strijkt, waardoor de haartjes op mijn armen overeind gaan staan. Mijn hart slaat een slag over als plotseling, boven de bak aan de muur tegenover me, een rode vuurgloed verschijnt. Ik zie geeloranje vlammen uit de bak oplaaien. Witte vuurvonken zoals dat van sterretjes springen alle kanten op en vallen lekkend omlaag op de tafel en de houten vloer. Even heb ik angst dat het vuur de kamer in lichterlaaien zal zetten, maar dan herinner ik me de woorden van Pak Jero dat ik wat er ook gebeurt niet bang mocht zijn en dat ik mijn ogen open moet houden.

Met ingehouden adem kijk ik naar de vuurgloed die de kamer in een spookachtig licht zet. Terwijl ik zo met ingehouden adem naar die vuurgloed kijk, voel ik hoe de druk op mijn borstkast en op mijn hoofd langzaam toeneemt. Ik adem uit om de druk wat te verlichten en kijk dan opzij naar Pak Jero, die bewegingloos en met gesloten ogen in lotuszit naast me zit. Ik concentreer me weer op het vuur, dat af en toe in sterkte afneemt, en dan weer plots sterk opgloeit.

Na enige minuten (of was het langer?) dooft het vuur langzaam. De sterretjes zijn inmiddels verdwenen en de vuurgloed wordt nu steeds zwakker, om tenslotte een diepe, stille duisternis achter te laten. Dan hoor ik Pak Jero naast me zich bewegen. Hij staat op en knipt het licht aan, en loopt dan naar de tafel, waar hij het halfroestige blik uit de bak aan de muur haalt. Hij loopt met dat blik in zijn handen terug en gaat weer naast me zitten. Met zijn donkere ogen kijkt hij me vorsend aan en vraagt hoe ik me voel.

“Was je bang in het donker, en toen het vuur kwam?” vraagt Pak Jero.

“Valt wel mee”, houd ik me groot, “maar ik heb zoiets nog nooit meegemaakt. Waar kwam het vuur vandaan, Pak Jero?”

“Brahma is vannacht gekomen”, antwoordt Pak Jero. “Het vuur is van Brahma. Door zich hier vannacht te manifesteren, heeft hij je geaccepteerd”.

Hij kijkt me verheugd glimlachend aan, en schudt dan zijn hoofd alsof hij het zelf niet kan geloven. “Het is een heel goed teken, en daarom wil ik je iets geven”. Pak Jero rommelt wat in het blik en haalt er dan een ring uit. Hij houdt de ring even omhoog tegen het licht van de lamp, en ik zie hoe de ring vettig glinstert (alsof er een laagje olie overheen ligt). Dan overhandigt hij de ring aan mij. Als ik de ring van hem aanpak, voelt hij inderdaad olieachtig vet aan. Het is een zilveren ring met een grote, ovale bruine steen die een witbruine vlek vertoont. Pak Jero wijst naar de vlek en maakt me erop attent dat daarin het abstracte silhouet van een tijger zichtbaar is.

“De steen van deze ring wordt een 'brumbun' genoemd. Deze brumbun is geladen met een magische energie die de bezitter ervan helpt om zich te concentreren op moeilijke taken. Deze ring is een talisman en hij zal je beschermen”, zegt Pak Jero. “Draag hem daarom vanaf nu altijd”.


Ogoh-ogoh, Nyepi, en nasi campur

Ik schuif de ring om mijn rechter ringvinger en houdt mijn hand omhoog, de ring bewonderend. Ik kijk Pak Jero weer aan en weet niet goed wat ik moet zeggen. Ik ben nog helemaal beduusd van die merkwaardige ervaringen van zoeven…… “Bedankt Pak Jero, ik ben werkelijk heel blij met dit geschenk”, zeg ik uiteindelijk, verlegen glimlachend. Ik kijk weer naar de ring, en naar het motief van de tijger, en hoor dan zachte voetstappen de trap opkomen.

Door het open luik verschijnen twee handen die een blad dragen. Op het dienblad staan een kom water, twee glazen water, en twee borden witte rijst (waarvan er op slechts eentje een gefrituurd visje (compleet met kop en staart), een forse lik rode sambal met buine pitjes, wat sperzieboontjes en spinazieachtige sliertige groene bladeren ligt). Daarna duikt het hoofd van de oude vrouw op. “Makan dulu, ya”, zegt ze vriendelijk glimlachend terwijl ze het blad over de grond naar ons toe schuift. Het hoofd van de vrouw verdwijnt weer en Pak Jero gebaart naar het blad met eten, “Tast toe”. Ik weet even niet wat ik moet doen, welk bord wordt ik geacht te nemen? En waar is het bestek? Pak Jero merkt mijn onzekerheid en lacht. Hij wijst naar het bord waarop de vis en de groenten ligt en herhaalt, “ga je gang, tast toe”.

“Waarom eet U geen vis en groente Pak Jero?”, vraag ik uit nieuwsgierigheid, maar ook om tijd te rekken om zodoende Pak Jero zelf te laten ontdekken dat z'n vrouw het bestek vergeten is. Zijn gastvrijheid, de merkwaardige gebeurtenissen van zoeven en de geschonken ring hebben me, moet ik toegeven, wat verlegen gemaakt.

“Nyepi is een dag voor meditatie en bezinning”, antwoord Pak Jero. “Normaalgesproken wordt er dan niet gegeten en gedronken, met uitzondering van een bord ‘nasi putih’, dat is gewone witte rijst, en een glas water dan. Maar tegenwoordig zijn het nog slechts de priesters en balians, de sjamanen van Bali, die zich aan deze regel houden. En zij die zich serieus met meditatie bezighouden”, voegt hij eraan toe, terwijl hij de vingers van zijn rechterhand een paar keer door het water van de kom haalt. Daarna beweegt hij z’n hand een keer of twee, drie snel heen en weer, terwijl hij zijn vingers afwisselend buigt (met de nagels tegen de binnenkant van zijn duim) en weer strekt, om het water weer enigszins van zijn vingers af te slaan. “Maar jij hoeft je daar niet aan te houden hoor”, glimlacht hij, “dus geneer je maar niet en doe je tegoed aan deze ‘nasi campur’”.

Dan begint hij te eten, zonder bestek. Met z'n vingers neemt wat witte rijst van zijn bord en tot mijn verbazing zie ik dat hij datt met een achteloos gebaar op de grond onder het raam werpt. Daarna neemt hij met de vingertoppen van zijn rechterhand weer wat witte rijst van het bord, kneedt het tot een balletje en brengt de hand dan naar zijn mond. Met behulp van zijn duim schuift hij het balletje nasi vervolgens over de toppen van z’n schepvormig gestrekte vingers zijn mond binnen. Zijn gegroefde, donkerbuine kaken bewegen behoedzaam kauwend op en neer, waardoor zijn sprietige baardje in de maat met die kauwbewegingen mee op en neer wipt.

Ik imiteer Pak Jero en haal ook mijn hand door de kom met water. Dan pak ik wat rijst met boontjes en breng m’n hand naar m’n mond. Als ik het eten m’n mond in probeer te schuiven, valt uiteraard de helft op de grond. Ik probeer het opnieuw, nu met een wat kleinere hoeveelheid. Na een paar keer proberen, heb ik de slag al aardig te pakken. Pak Jero laat niets merken en laat me rustig m’n gang gaan.

Als we zijn uitgegeten, vraagt Pak Jero of ik nog meer lust. Ik antwoord dat het lekker heeft gesmaakt en dat het precies genoeg was. Ik ben geen grote eter (bovendien, maar dat zeg ik niet, zat ik nog vol van die chap cay die ik in Rasa Sayang heb gegeten). Pak Jero neemt zijn glas water en drinkt het in een teug leeg.

Nu ik weer aan Rasa Sayang denk, wellicht dat Pak Jero weet wat die optocht met die reuzen te betekenen had. Ik begrijp inmiddels dat het met het nieuwe Çaka jaar te maken heeft, maar ik ben nieuwsgierig om er meer over te weten te komen. En waarom niemand zich op straat mag vertonen natuurlijk.

Voordat ik de kans krijg om mijn vraag te stellen, roept Pak Jero richting het luik: “Tut! kopi besik!”. Hij haalt zijn hand weer door de kom om hem schoon te wassen, en ik volg zijn voorbeeld. Dan vraag ik hem naar de optocht van zoeven.

“Dat zijn zogenaamde ogoh-ogoh”, legt Pak Jero uit. “Die reuzen zijn voorstellingen van de onzichtbare boze geesten die altijd en overal op Bali aanwezig zijn. Wij noemen die boze geesten 'bhuta kala', en ze wonen voornamelijk in en rond de huizen van mensen, op kruispunten van wegen en op kerkhoven. Het zijn vaak negatieve krachten, die geesten, en ze zijn in staat om het evenwicht in de mens en tussen mensen, te verstoren".

"Dagelijks, met name bij zonsopgang en zonsondergang, maakt elk huishouden daarom kleine offertjes, om ze tevreden te stellen. Daarmee probeert men te voorkomen dat die bhuta kala het huishouden zullen verstoren. Ook is het gebruikelijk om voor je iets eet of drinkt, er wat van op de grond te gooien. Die bhuta kala zijn namelijk erg gulzig en ze kunnen kwaad worden als ze niets krijgen. En dan kunnen er verstorende dingen gebeuren. Zo kunnen er bijvoorbeeld dingen uit huis verdwijnen, zoals een sierraad, of ze maken iemand ziek".

"'In de ochtenduren van dag voor Nyepi worden op kruispunten van wegen speciale reiniging ceremonies gehouden, excorcisme rituelen, om die negatieve krachten uit te bannen. ‘s Avonds worden voorstellingen van de bhuta kala in een speciale parade met veel lawaai rondgedragen, om ze bang te maken en ze af te schrikken. Normaalgesproken worden ze daarna op het strand verbrand. Daarna gaat iedereen huiswaarts en blijft vanaf middernacht een etmaal lang binnenshuis, en alles wordt dan verduisterd. Vanaf dat moment is er geen verkeer meer toegestaan, zelfs het vliegveld van Bali is dan gesloten”.

Het hoofd van Pak Jero's vrouw verschijnt weer door het luik en ze schuift een blad met een koffie en versnaperingen naar ons toe. Als ze weer is verdwenen, vervolgt Pak Jero zijn verhaal.

“Nyepi betekent ‘stil’, ‘leeg’. De enigen die zich op straat mogen vertonen zijn de ‘pacalang’, dat is een soort burgerwacht die voor de veiligheid zorgt. Helaas zijn er met Nyepi namelijk ook veel inbrekers op pad, vandaar. En doordat in principe niemand zich op straat vertoont, zullen de boze geesten denken dat het eiland verlaten is, en ze zullen dan eveneens het eiland verlaten. Dit alles is een symbolische reiniging en heeft tot doel verstoorde balansen te herstellen, zoals de innerlijke balans van de mens, de balans tussen mensen onderling, tussen mens en natuur, en die tussen de mens en God”.

Ik onderdruk een geeuw, niet omdat ik Pak Jero's verhaal niet interessant vind, maar omdat ik merk dat ik eigenlijk best wel moe ben. Ik pak het glas en nip voorzichtig van de hete koffie.

“Toch begrijp ik het niet”, zeg ik, “want als die pacalang en die inbrekers tijdens Nyepi gewoon buiten rondlopen, dan worden ze toch zeker wel opgemerkt door die boze geesten?”, “….en die zullen Bali dan dus niet, zoals gehoopt wordt, verlaten”, voeg ik eraan toe.

“Het is slechts een symboliek”, reageert Pak Jero op mijn woorden. “Je mag het dus niet te letterlijk nemen. Die boze geesten zijn slechts symbolen van de negatieve krachten die in onszelf huizen en om ons heen bestaan. Die negatieve krachten worden in hun verschijningsvorm als ‘boze geesten’ voor een dag zichtbaar gemaakt als afzichtelijke monsters welke in de avond worden verbrand. Dit alles is bedoeld als een tastbare symboliek om de mens eraan te herinneren dat hij geacht wordt zichzelf tegen de invloed van negatieve krachten, die ‘boze geesten’, te beschermen. Door ze te verbranden behoor je je in te leven dat je je eigen negatieve eigenschappen, je negatieve gedachtes en gevoelens ‘verbrandt’. Ceremonies zoals deze zijn bedoeld om je te helpen de balans in jezelf en de balans tussen jezelf en andere individuen te verbeteren en te bewaken”.

“Door daaraan te denken, door je dat steeds te realizeren, schoon je je gedachten van negativiteit. En door je gedachten te schonen, schoon je automatisch ook je hart van negatieve emoties, zodat het weer maagdelijk wordt, zonder egoistische verwachtingen, zonder vooroordelen”.


Een ongewone droom

In gedachten verzonken tracht ik alles wat Pak Jero me zojuist heeft verteld op een rijtje te zetten. Zonder te kijken zet ik het glas koffie aan mijn lippen en neem een ferme slok. Ik proef ik hoe de rulle drab van de koffie in mijn mond loopt. Voorzichtig laat ik de drab weer teruglopen in het glas. Ik zet het lege glas met het drabbodempje voor me neer en kijk op mijn horloge. Het is inmiddels al weer kwart over twee. Ik heb het gevoel al dagen op Bali te zitten, alhoewel het nog maar nauwelijks twaalf uur geleden is dat ik ben gearriveerd. Ik voel me eerlijk gezegd best wel behoorlijk uitgeput. Een onweerstaanbaar verlangen om te gaan liggen en mijn ogen te sluiten maakt zich van me meester. Pak Jero bemerkt hoe ik me voel en zegt dat als ik wil ik kan gaan slapen.

“Ikzelf blijf vannacht hier, in de heilige kamer”, zegt Pak Jero, “tot zonsopgang blijf ik hier mediteren, maar jij kunt nu gaan slapen als je wilt. Je kunt je kamer beneden vinden, aan je linkerhand. Het is de eerste deur waar een groen gordijn voor hangt. Toilet en wasgelegenheid bevinden zich ook beneden, in het achterste gedeelte van mijn huis. Slaap wel m’n beste Nescio, tot morgen”.

Ik sta op en loop naar het luik. Voorzichtig plaats in mijn voeten op de bovenste treden van de trap en zak dan naar beneden, oppassend mijn hoofd niet tegen de rand van het open luik te stoten. Beneden gekomen loop ik door naar de kamer die Pak Jero aanduidde. Ik schuif het gordijn naar links opzij en open de deur. Ik knip het licht aan en bekijk het kamertje, een simpele ruimte van drie bij drie meter zonder ramen, waarin tegen de muur tegenover de deur een eenpersoonsbed staat.

Op het houten frame van het bed ligt een dun matras. Op het voeteneinde bevindt zich een netjes opgevouwd lichtblauw laken met een rood bloemmotief. Daarbovenop ligt een ruwe, bruine handdoek. Op het bed, dat parallel tegen de kale muur van het vertrek staat opgesteld, ligt een langwerpig, rolvormig kussen. Direct naast de deur staat een houten stoel met een rechte rugleuning. Verder staan er geen meubels in het vertrek. De vloer is voorzien van tegels, uitgevoerd in wit keramiek. Ik zie dat sommige tegels beschadigd zijn. Ze vertonen kleine scheurtjes en sommige hebben kapotte hoeken. Hier en daar is het voegsel tussen de tegels verdwenen.

Ik loop naar het voeteneinde van het bed, pak de handoek en verlaat dan de kamer, op zoek naar de wasgelegenheid die zich achter in het huis moet bevinden. Ik loop de donkere ruimte met het flakkerende rode gloed in en zie dan dat die flakkering wordt veroorzaakt door een houtgestookt vuur dat zich in een kleine met roet bedekte alkoof in een van de muren bevindt. Wat keukengerei in de vorm van een paar grote pannen, een wok, en een paar grote lepels en messen hangt erboven en ernaast aan spijkers welke in de muur zijn geslagen.

Direct links naast de alkoof bevindt zich een smalle, verveloze houten deur waarvan de houten planken aan de boven- en onderkant op een aangevreten manier kapot zijn. Ik stap op die deur af, in de veronderstelling dat zich daarachter wel de wasruimte zal bevinden. Inderdaad, in het kleine hok van twee bij twee meter dat zich achter deze deur bevindt, zie ik een vierkante blauwstenen bak met water, met op de rand ervan een roze plastic steelemmerje. Naast de blauwstenen waterbak bevindt zich een hurktoilet van lichtgroen emaille.

Ik kleed me uit en hang mijn kleding op aan de drie spijkers die in de deur geslagen zijn. Dan inspecteer ik het hurktoilet en ik zie dat de geribbelde voetstappen van het toilet er grijsachtig verkleurd uit zien. Uiteraard is er geen wc-papier te bekennen. Ik besluit om mijn schoenen voor het moment nog maar even aan te houden en neem dan gehurkt plaats boven het gat.

Als ik klaar ben, verzin ik hoe ik me schoon moet maken. Ik kijk om me heen en besluit dat het plastic roze steelemmertje de beste oplossing biedt. Terwijl ik wat water uit de blauwstenen bak schep, zie ik hoe een grote zwarte kakkerlak met lange voelsprieten wegvlucht door een brede scheur onder in de muur. Dan poog ik om van achteren langs de boel schoon te krijgen. Mijn eerste ervaring met een hurktoilet mondt uit in een plens water over m’n bruin suede Rockports.

In een van de muren, onder het roestige metalen frame van een gebarsten spiegel, bevindt zich een klein nisje waarin (gelukkig) een nog onaangebroken, verpakt stukje zeep ligt. Ik verwijder de verpakking en schep met het steelemmertje water over mijn lichaam en zeep me vervolgens in. Daarna plens ik scheppen met water over me heen. Het voelt heerlijk koel aan en het verfrist me enigszins, maar de vermoeidheid blijft toch voelbaar. Dan droog ik me af met de ruwe handdoek en kleed me weer half aan.

Met onbloot bovenlijf loop ik vervolgens met mijn shirt, jasje, sokken en schoenen in een hand terug naar mijn kamertje. Ik hang er mijn kleren over de stoel naast de deur en zet mijn schoenen met de sokken er netjes ingestopt onder de stoel op de grond. Dan loop ik naar het bed, spreid het laken eroverheen, knip het licht uit en kruip onder het laken.

Nu het licht uit is, is het werkelijk pikdonker in de kamer. Ogen open of dicht maakt geen verschil. Met die uitzondering dan dat ik achter mijn gesloten ogen opkomende en weer verdwijnende oranjerode flitsen en sterren zie. Ondanks de warmte in het kamertje voel ik me al snel wegzakken in een aanvankelijk droomloze slaap. De intensiteit van de oranjerode flitsen en sterren wordt langzaam minder en vervaagt dan tenslotte tot een ondefinieerbare oranjeachtig rode mist. Ik ervaar de aangename sensatie dat ik omsloten wordt door een zacht aanvoelende vloeibare warmte.

Dan merk ik dat ik aan het zweven ben. Terwijl ik dat besef, zie ik hoe de rode mist gedetailleerder wordt. Ze bestaat uit diffuse nevels van oranjeachtige getinte lichtdeeltjes van verschillende intensiteit. De zachte lichtnevels openen zich en nemen me op totdat ik er volledig mee omsloten ben. Ik voel me ontspannen, zonder directe gedachten. Een gelukzalig gevoel van een ongekende vrijheid voert de boventoon. Ik ervaar een gevoel van tijdloosheid, een gevoel alsof ik hier al eeuwig ben en er voor altijd zal zijn.

Zo nu en dan duiken uit de nevels beelden (of gedachten) op die me aangenaam vertrouwd voorkomen. De meeste van die beelden blijven echter steken in mijn onderbewustzijn, als een vage prettige herinnering. Slecht enkele ervan dringen door tot mijn besef. Een beeldschone vrouw met donker haar en mysterieuze diep-donkere ogen duikt meerdere malen op uit de nevels. Ze glimlacht naar me en is ze gekleed in een lange strakke jurk van een ondefinieerbare lichtgroene kleur. Telkens als zij opduikt meen ik een geur van wierook te bespeuren. Ik probeer me tevergeefs te herinneren wie zij is.

Dan plotseling duikt het gezicht van Pak Jero op uit de nevel. Heel duidelijk zie ik zijn gerimpelde donkerbruine gezicht, en ik merk hoe zijn donkere ogen de mijne zoeken. Ik zie hoe hij zijn lippen beweegt alsof hij tegen me spreekt, maar ik hoor daarbij geen woorden. Ik concentreer me op zijn sprietig baardje, dat vooruitgestoken op en neer beweegt.

Na verloop van tijd verdwijnt het beeld van Pak Jero en ik bevindt me weer alleen in die tijdloze, oranjerode nevel.

Dan krijg ik een nieuwe sensatie. Ik meen dat ik mijn naam hoor noemen. Terwijl ik me dit realiseer, wordt de nevel donkerder en verdwijnt in een inktzwarte duisternis. “Nescio……”, hoor ik nu helder en duidelijk in mijn oren. Ik kan niet uitmaken of de stem van een man of een vrouw is.

Plotseling schrik ik wakker. Ik zit op de rand van mijn bed, in de kamer waar ik vannacht in slaap gevallen ben. De kamer is groot en hoog als een zaal en baadt in een helder licht als dat van daglicht. Tegen de muur in de verte zie ik de stoel waarover mijn kleren hangen. Ik realiseer me dat de kamer groter is dan ik me herinner, maar die gedachte verontrust me niet. Ik fixeer mijn aandacht weer op de stoel in de verte en merk dat daardoor de afstand korter wordt. Het beeld van de stoel vervormt alsof hij vloeibaar is, hij golft en wordt hoger en dieper. Geintrigeerd door dit vreemde verschijnsel blijf ik de stoel bestuderen.

Mijn aandacht wordt van de stoel afgeleid als ik weer helder en duidelijk die stem in mijn oren hoor, “Nescio……”. Het beeld van de stoel vervaagt en de kamer lijkt terug te keren tot normale proporties. Het daglicht is plots verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor een schemerachtig licht waarin de details van de kamer niet goed meer te herkennen zijn.

Plotsklaps voel ik een aanwezigheid. Vlak voor me, een paar meter van me vandaan, materialiseert uit het niets een grote naakte zwarte figuur die slechts gekleed is in een zwart-wit geblokte sarong. De plotselinge aanwezigheid van die zwarte figuur geeft me een ongemakkelijk gevoel van vage onrust, hetgeen zich uit in een misselijk gevoel dat uit mijn navelstreek schijnt voort te komen. De`zwarte figuur kijkt me zonder te spreken met halfgesloten ogen aan, en ik zie hoe zijn dunne rode lippen gefixeerd zijn in een onbeweeglijke vage glimlach.

Het misselijke gevoel van onrust rond mijn navelstreek neemt toe als ik merk (of vermoed) dat hij probeert om op een of andere manier tot mijn geest door te dringen. Het gevoel is hoogst onprettig en geeft me een steeds sterker wordende aandrang om hem te laten verdwijnen. Ik knijp mijn ogen dicht, maar het beeld verdwijnt niet. “Weg!”, probeer ik uit alle macht te schreeuwen, maar het lukt me niet om te spreken. Terwijl ik verwoede pogingen doe om mijn stem te activeren, hoor ik ver weg een aanhoudend geklop. De zwarte figuur is plotseling verdwenen en het geklop klinkt nu luider.

Ik open mijn ogen en kijk verward om me heen. Het is pikdonker en ik voel dat ik drijfnat ben van het zweet. Ik strijk met mijn hand het zweet van mijn voorhoofd en hoor nu duidelijk hoe er op de deur wordt geklopt.

“Moment”, roep ik met een dikke tong in mijn uitgedroogde mond naar de deur.


Yang Hitam en de polariteit van een poleng

Ik ga zitten en stap m’n bed uit. Op de tast loop ik in de richting van het geklop. Als ik de deur opentrek, zie ik in het zwakke schijnsel van het ochtendlicht dat door een klein raam vanuit het halletje de gang invalt Pak Jero staan. Hij kijkt me even onderzoekend aan en zegt dan, “Is alles in orde met je Nescio, ik hoorde je roepen”.

Ik leg even een handpalm op m’n voorhoofd en strijk met m’n vingers door m’n haar. “Ja… ehh nee, ik geloof dat ik een nachtmerrie had, Pak Jero. Hoe laat is het?”, antwoord ik, nog steeds verward.

“Acht uur”, zegt Pak Jero. Hij glimlacht even en vervolgt dan, “Mijn vrouw is het ontbijt aan het klaarmaken. Nadat je je gewassen hebt, kom dan naar de heilige kamer. Je kunt daar eten en, als je wilt, vertel me dan daarna over je nachtmerrie”. Dan draait hij zich om en beklimt de trap naar de heilige kamer.

Ik kijk hem na tot zijn witte sarong door het luik in het plafond is verdwenen en loop dan met m’n kleren in mijn handen en een vermoeid gevoel in mijn hoofd door het gangetje naar de badkamer. De oude vrouw is in de donkere ruimte aan het koken. De olie sist en spettert in een kleine wok boven het vuur en een geur van gebakken eieren bereikt mijn neus. Het ruikt bijzonder lekker en ik besef dat ik best wel trek heb, het water loopt me in de mond. Als ik voorbijloop, kijkt ze even op. Met een vriendelijke glimlach en een hoofdknikje richting de badkamer zegt ze, “mandie doeloe, habis mandie makkan ja”. Ik knik vriendelijk terug en loop de badkamer binnen.

Het koele water heeft een verfrissende uitwerking op me en ik voel de energie weer enigszins in me terugkeren. Ik droog me af en bekijk daarna m’n ongeschoren gezicht in de roestige gebarsten spiegel. Ik laat m’n vingers even over m’n kaken glijden en breng dan m’n haar wat in model. Vervolgens kleed ik me aan en verlaat de badkamer. De oude vrouw is nergens te bekennen. Ik loop door naar de trap en klim naar de eerste verdieping.

Als ik mezelf door het luik op de vloer van de heilige kamer heb gehesen, zie ik Pak Jero daar stil op de mat langs de muur zitten, in lotuszit en met gesloten ogen. Zijn handen liggen gevouwen op zijn schoot, met de rechterhand in de linker en de palmen omhoog gekeerd. Zachtjes, om hem niet te storen, neem ik plaats aan zijn linkerzijde. Met m’n rug steunend tegen de muur en m’n benen voor me uitgestrekt, observeer ik Pak Jero.

Even later opent Pak Jero zijn ogen en kijkt opzij. Als hij me naast zich ziet zitten, glimlacht hij en zegt, “Om Swastyastu”. “Wat betekent dat eigenlijk Pak Jero, Oom Swastiejastoe”? “Dat is de gebruikelijke begroeting in Bali. Het betekent zoveel als ‘Moge God je beschermen, God zij met je’”.

“Om is het woord voor God, die wij hier op Bali Sanghyang Widhi noemen. De klank OM bestaat eigenlijk uit drie letters, namelijk A, U, en M. Deze letters staan weer voor de klanken Ang, Ung en Mang, die de drie belangrijkste aspecten van God representeren. Dat zijn respectievelijk Brahma de Schepper, Vishnu de Bewaarder en Shiva-Iswara de Vernietiger”.

Dan klinken voetstappen op de trap en het hoofd van de oude vrouw verschijnt. Ze brengt een blad met het ontbijt, een bord nasi goreng met een spiegelei, een bord witte rijst, een glas koffie en een kan met water. “Makan dulu ya ”, zegt ze terwijl ze me even aankijkt. Als ze het blad over de vloer naar ons toe heeft geschoven, verdwijnt ze weer naar beneden.

Pak Jero gebaart met zijn hand naar het blad en zegt, “laten we nu eerst wat eten”. De eerstkomende minuten brengen we zonder te spreken etend door. Als we zijn uitgegeten zegt Pak Jero, “Zo, als je wilt, vertel me dan nu maar eens over die nachtmerrie die je vannacht had”.

Ik denk even na en probeer alles weer voor de geest te halen. Stukje bij beetje komt alles weer boven. “Eerst was er een oranje mist”, begin ik, “ik zweefde in die mist en het gaf me een goed gevoel. En er doken herinneringen uit die mist op, in de vorm van beelden. Ik kan me daar niet veel van herinneren, maar een van die beelden was uw gezicht, weet ik nog”.

“Toen je die beelden waarnam, kon je daar ook geluiden bij horen?”.

Ik denk even na en zeg dan, “Ik kan me niet herinneren dat ik geluid hoorde. Of wacht, ja toch, ik herinner me nog dat iemand mijn naam riep”.Terwijl ik er aan terug denk, komen de beelden van mijn nachtmerrie weer bovendrijven. “Daarna werd alles eerst zwart, en toen was het net of ik wakker werd in mijn kamertje. Ik kan me er niet veel van herinneren, alleen dat het kamertje zo groot was als een zaal en dat het helder verlicht was. Plotseling werd het halfduister en verscheen er een grote zwarte figuur, die op een sarong na naakt was. Ik herinner me dat ik me bang voelde toen hij verscheen. Er ging iets van hem uit wat me een onprettig gevoel gaf. Toen verdween hij opeens weer en werd ik wakker doordat u op de deur van mijn kamertje klopte.”

Ik buig me voorover en pak het glas koffie van het blad. Als ik weer achterover tegen de muur leun en een slok van m’n koffie neem, valt mijn oog opeens op het zwarthouten beeld dat op de tafel van Pak Jero staat. Getooid in z'n zwartwit geblokte sarong kijkt het me met een vage glimlach en halfgesloten ogen aan.

Ik verslik me bijna in m’n koffie als ik in het beeld de zwarte figuur herken die mijn droom tot een ware nachtmerrie maakte. Ogenblikkelijk voel ik de angst die ik tijdens die droom had weer terugkeren.

“Pak Jero”, begin ik met een wat onzekere stem, “dat zwarte beeld daar op uw tafel, met die zwart-wit geblokte sarong, het lijkt sprekend op die zwarte figuur uit mijn droom”. Pak Jero kijkt me aan met een licht hoofdknikje en een glimlach die me het gevoel geeft alsof hij tevreden is dat ik dit heb ontdekt. “Is er soms een verband tussen uw beeld en die zwarte figuur uit mijn droom?”

Pak Jero denk even na en na een kort ogenblik van stilte zegt hij, “Gisteren, toen we hier mediteerden, is Brahma gekomen en je bent daardoor door hem geaccepteerd. Brahma zit nu in je, als vuur in je hart. Dat is een veelbelovend teken, het betekent dat je potentie hebt, een zekere magische lading die we hier op Bali ‘sakti’ noemen. Daarna, toen je ging slapen, ben ik hier in de heilige kamer blijven mediteren en heb ik Yang Hitam, de zwarte, naar je gestuurd om je te testen, om zodoende uit te vinden hoe groot je voorraad magische lading is. Yang Hitam is, zo kun je stellen, een verlengstuk van me die me helpt om mijn werk in andere werelden, waarvan de droomwereld er onder andere eentje is, te realiseren.”

“Wat voor werk is dat, Pak Jero? En als hij een verlengstuk van u is, hoe komt het dan dat ik bang was toen hij verscheen?”

“Uiteraard was je bang, het was immers de eerste keer in je leven dat je een dergelijke buitengewone ervaring had. Je geest is erop ingesteld om je zo goed als kwaad tegen vreemde nieuwe invloeden te beschermen, dus deed het zijn best om Yang Hitam te laten verdwijnen. Je zou je geest in dit geval het beste kunnen vergelijken met een waakhond. De eerste keer wordt een bezoeker blaffend tegemoet getreden om hem af te schrikken, een volgende keer is dezelfde bezoeker een ‘bekende’ en wordt hij gedoogd.”

“Je noemde die zwart-wit geblokte sarong”, vervolgt Pak Jero. “Een dergelijke sarong wordt een ‘poleng’ genoemd. Zwart en wit zijn daarbij symbolen die elkaars tegenpolen voorstellen, waarbij zwart niet zonder wit en wit niet zonder zwart kan bestaan. Zwart en wit zijn gelijkwaardig en waar de witte en zwarte banen elkaar kruisen, ontstaat het grijze vlak van het equilibrium. Die tegenpolen kom je overal tegen. Zoals op Bali geografisch gezien de zee en de bergen elkaars tegenpolen zijn, het droge en het natte seizoen van het klimaat, de plek waar de zon opkomt en ondergaat, dag en nacht, licht en donker, het grote en het kleine, de macrokosmos en de microkosmos oftwel het heelal en de mens".

"Die polariteit is van enorm belang in de denk-, en belevingswereld van de Balinezen, zoals bijvoorbeeld ons orientatiesysteem. Wij spreken niet over noord, zuid, oost en west, zoals elders op de wereld gebruikelijk is, maar over kaja, kelod, kangin en kauh. ‘Kaja’ betekent hier dan bergwaarts, ‘kelod’ is zeewaarts, ‘kangin’ is daar waar de zon opkomt en ‘kauh’ waar ze ondergaat. Dat alles wordt door het zwart en wit van de poleng gesymboliseerd".

"Juist door dat contrast krijgen die tegengestelde polen zin. Wit is de kleur van het Goddelijke, zwart de kleur van de Demonen. Wit symboliseert de kundigheid en kracht van genezing, zwart staat voor de veroorzaking van ziekte, dood en rampen".

"In alle andere werelden die naast de ons bekende bestaan, de onzichtbare wereld versus de zichtbare wereld, komt die positieve en negatieve tegenstelling ook voor. Vandaar dat Yang Hitam ook zo’n poleng draagt, hij heeft en geeft helende krachten aan z’n medium, maar hij is tevens in staat om z’n medium te beschermen tegen de negtieve krachten die in die onzichtbare werelden rondwaren, en deze effektief aan te pakken, mocht dat nodig zijn”.

Ik pak m’n glas en neem een slok koffie. Door Pak Jero’s verklaring is de angst wat weggeebt en ik probeer voor mezelf vast te stellen wat ik ervan moet denken. Weet je, wat me zo totaal onverwachts is overkomen heeft me eerlijk gezegd best wel van m’n stuk gebracht. En ik twijfel of ik het allemaal wel zo leuk vind wat er is gebeurd, ondanks de uitleg van Pak Jero. Per slot van rekening heeft hij dat beeld zonder me van te voren te waarschuwen en zonder mijn toestemming op me af gestuurd. Maar aan de andere kant voel ik ook een grote nieuwsgierigheid om meer van zijn wereld te weten te komen.

Alsof Pak Jero mijn gedachten heeft geraden merkt hij op, “Dat ik je zo onvoorbereid en onverwachts die ervaring met Yang Hitam heb gegeven, was nodig om te zien hoe gesloten je nog bent. Als ik de waakhond in je van te voren had laten ruiken aan Yang Hitam, dan had ik daar een vertekend beeld van gekregen. Ik bied je dan ook bij deze mijn verontschuldigingen hiervoor aan. Maar ik hoop tevens dat je nieuwsgierigheid het wint van je angst, want ik weet nu dat je inderdaad potentie hebt en als je wilt, kan ik je later nog meer van die onzichtbare werelden laten zien”.

Ik sluit mijn ogen even en denk na. Tenslotte reageer ik, “Ik weet het nog niet, Pak Jero. Het is allemaal nieuw voor me en het was best wel een angstige ervaring. Begrijpt u me goed, ik vertrouw u wel, maar ik heb wat tijd nodig om zeker te weten wat ik wil. Ik zou er graag eerst een nachtje over willen slapen. Zonder die buitengewone dromen dan”, voeg ik er haastig aan toe.

“Een wijs en verstandig besluit”, glimlacht Pak Jero me vriendelijk toe. “Dit soort besluiten dien je niet overhaast te nemen, dus neem gerust alle tijd die je nodig hebt, m’n beste Nescio”.


De geluiden van chakra's

Ik nip van de koffie en werp weer een blik op Yang Hitam, die roerloos op een hoekje van de tafel staat. Het onrustige gevoel van de nachtmerrie is inmiddels voldoende weggeebd om het beeld met z’n vernauwde ogen en die dunne rode glimlach wat intensiever te kunnen bekijken. In het daglicht ziet hij er maar klein en onschuldig uit. Ik vraag me af hoe Pak Jero het voor elkaar heeft gekregen om hem levensgroot in mijn droom te laten verschijnen, en ik vraag me tevens af wat er nog meer had kunnen gebeuren als ik, toen Yang Hitam zo plotseling verscheen, minder angstig was geweest.

Terwijl ik zo zit te peinzen, valt het me op hoe stil het is. Ontelbare stofdeeltjes dansen scherp zichtbaar in een baan zonlicht die door het raampje in de muur een vertekende helverlichte rechthoek op de versleten houten planken van de vloer werpt. Geen enkel geluid dringt van buiten de kamer binnen, alles is doodstil. Geen verkeersgeluiden, geen stemmen van spelende kinderen. Zelfs de natuur schijnt vandaag haar adem in te houden, geen fluitende vogel of blaffende hond is buiten te horen. Nyepi, de dag van de stilte.

Pak Jero staat op en loopt naar de tafel. Uit een stapeltje boeken dat op een hoek van de tafel tegen de muur ligt opgestapeld, kiest hij twee of drie exemplaren. Vervolgens loopt hij met die boeken in zijn hand terug en gaat weer naast me zitten. Ik kijk toe hoe Pak Jero de boeken voorzichtig voor zich op de grond neerlegt.

Hij neemt het bovenste boek van de stapel en veegt met zijn rechter hand een paar keer over de oud uitziende fluwelige zwartstoffen kaft. In het midden ervan is een in goudgeel en rood uitgevoerd symbool afgedrukt waarvan ik vermoed dat het een van die script-tekens in de Balinese taal is. Dan slaat hij het boek open en begint erin te bladeren.

Als hij gevonden heeft wat hij zocht, glijdt hij met zijn rechter wijsvinger langzaam langs de regels terwijl zijn lippen geluidloos bewegend de woorden meelezen. Zijn sprietige baardje beweegt ritmisch met de woorden mee op en neer. Het boek is geschreven in de Indonesische taal zie ik. Boven aan de opengeslagen pagina staat een vetgedrukte titel, “Katikelaning Genta Pinara Pitu”. Ik vraag me hoopvol af of dit wellicht zo’n ‘geheim boek’ van de Balinese sjamanen is, met formules en bezweringen en dergelijke. Het zou me overigens niets verbazen als dat inderdaad zo zou blijken te zijn, gezien mijn ervaringen met Pak Jero de afgelopen avond en nacht.

Pak Jero kijkt op en laat het boek zakken. Alsof hij mijn gedachten heeft geraden, spreekt hij, “Dit boek gaat voornamelijk over de geheimen van de innerlijke kracht die elk mens bezit. De mens is in staat om een buitengewoon krachtig energetisch vermogen op te wekken waarmee men in staat is om alle vormen van bedreiging en gevaar te weren en te bestrijden. Dat betreft zowel gevaren die van buitenaf komen als bedreigingen die zich binnen het lichaam van de mens manifesteren. Die enorme energie kan naar buiten worden gebracht op het moment dat iemand die in gevaar is hulp nodig heeft.”

“Dat klinkt heel interessant Pak Jero. Hoe kun je die energie dan benutten, en is het erg moeilijk om dat te leren?”, vraag ik geinteresseerd, “en wat betekent die titel ‘Katikelaning Genta Pinara Pitu’ eigenlijk”?

“Met ‘Katikelaning Genta Pinara Pitu’ worden zeven kosmische geluidstrillingen bedoeld, en wel die vibraties van energie die verbonden zijn met de zeven belangrijkste chakra’s van de mens”, legt Pak Jero uit. “Alles wat deze wereld maakt, bestaat uit energie, vibraties van licht en geluid., en wij communiceren voortdurend met de wereld om ons heen, niet alleen met onze stem, maar vooral ook door middel van het uitwisselen van energie via die chakra’s”.

“Op het ritme van onze ademhaling”, vervolgt Pak Jero, “stroomt tevens een kosmische kracht die wij ‘kundalini’ noemen door ons lichaam. Die kundalini stroomt langs de chakra’s door ons lichaam omhoog, van de stuit-chakra naar de kruin-chakra. Terwijl die kundalini langs de chakra’s stroomt, veroorzaakt het bij elke chakra een trilling die uit een kosmische klank bestaat. Omdat er zeven chakra’s worden gepasseerd, zullen dan ook zeven kosmische klanken worden opgewekt.”

“Hoe klinken die kosmische klanken dan, Pak Jero?”, vraag ik, “het is me nog nooit opgevallen dat ik tijdens het ademen kosmische geluiden afgeef”.

“Om die kosmische klanken te kunnen horen, moet je je aanwennen om dagelijks te mediteren”, legt Pak Jero uit. “Twee keer per dag een half uurtje is al voldoende. Door meditatie, de stilte in jezelf te zoeken, verhoog je namelijk de energie-vibratie van je lichaam tot het niveau van de andere dimensies, van de wereld die wij ‘niskala’ noemen. Als je het niveau van die andere dimensies bereikt, vindt een eenwording van je innerlijke energie met Shiva plaats, en dat veroorzaakt die buitengewone innerlijke beschermende kracht.”

“Maar hoe lang moet je daarvoor dan mediteren, ik bedoel, hoe weet je wanneer je uiteindelijk daadwerkelijk over die buitengewone kracht beschikt?”, vraag ik enigszins bedenkelijk. “En is het niet zo dat mediteren niet voor iedereen is weggelegd? Misschien lukt het me wel nooit om zo’n niveau te bereiken”.

“Eenvoudig”, zegt Pak Jero, “als je gelooft dat je het niet kunt, dan kan je het niet, en dan zul je dus dat niveau ook nooit bereiken. Heb je daarentegen het zelfvertrouwen dat je het wel kunt en ben je gemotiveerd, dan bereik je dat niveau wel. Het zit ‘tussen je oren’, m’n beste Nescio. Jij hebt, net zoals iedereen, de keuze om ergens in te geloven en ervoor te gaan, of niet. Geloof je erin en ga je ervoor dan ben je gemotiveerd, en op een dag zul je dan bemerken dat je die zeven kosmische klanken inderdaad kunt horen”.

“Hoe klinken die kosmische chakra-klanken dan, Pak Jero, hoe kan ik ze herkennen?”, vraag ik.

“Het geluid van de stuit-chakra klinkt als het geluid van een krekel, die van de geslachtsorganen klinkt als het geluid van bellen die de koeien op Bali dragen, het geluid van de navel-chakra klinkt als de bel van een priester, de hart-chakra klinkt als het geluid van een bamboe fluit, en het geluid van de keel-chakra, de voorhoofds-chakra en de kruin-chakra klinken alle drie als de mantra AUM”, legt Pak Jero uit.

Ik zit vol met vragen en Pak Jero neemt geduldig zijn tijd om me alles zo goed mogelijk uit te leggen. Ongemerkt vliegt de tijd voorbij. Op een gegeven moment sluit Pak Jero het boek en legt het terug op het stapeltje. “Als je het niet erg vindt, Nescio, ga ik nu wat gaan rusten, een paar uurtjes slapen. Als je wilt, neem zelf wat eten uit de keuken en rust ook wat, misschien wil je zelfs wel proberen om op de manier zoals ik heb uitgelegd te mediteren. Het geeft niet als het je in het begin niet lukt om zonder gedachten te zijn of zelfs in slaap valt, wat belangrijk is, is dat je het consequent probeert. We zien elkaar later wel weer.

Ik sta op en bedank Pak Jero voor zijn uitleg. Ik kijk op mijn horloge en zie dat de middag inmiddels al weer over op zijn eind loopt. Voorzichtig daal ik de trap af en loop dan direct door naar mijn kamertje, ik voel me nog niet hongerig. Ik ga op het bed liggen en overdenk wat Pak Jero me vandaag verteld heeft over die buitengewone innerlijke kracht, de kosmische geluiden en dat mediteren. Ach wat maakt het uit, denk ik bij mezelf, ik kan het allicht proberen niet?

Ik sluit mijn ogen en probeer aan niets te denken. Het lukt me echter niet om zonder gedachten te blijven. Telkens is er weer iets anders wat in mijn gedachten opkomt en waar ik onwillekeurig over na begin te denken. Een van die dingen is de wereld van het dagelijkse Bali. De natuur, de kleurrijke ceremonies, het zonnige strand en de bezienswaardigheden die ik tijdens mijn vakantie nog wil gaan zien. Ongemerkt val ik tenslotte in een droomloze slaap.


© 2003, Nescio.


to the top of this page
Naar het volgende verhaal
 
 
naar het volgende verhaal

home
about
albums
specials
links
contact

 
© 1999-2008 Wonderful Bali, all rights reserved
logo picture Wonderful Bali - Barong and Rangda
last updated: October 2007