aankomst in de namiddag
Ik rijd op mijn motor over de drukke Jalan Bypass en het loopt tegen half vier. Bij de stoplichten, op de hoogte van een wijdse kruising waar liefhebbers terecht kunnen bij onder andere een uit veel glas opgetrokken en door kleurige neonreclame aangekondigde grote moderne vestiging van een “Dunkin’ Doughnuts”, of bij het daar tegenover gelegen en in dezelfde stijl opgetrokken filiaal van “Kentucky Fried Chicken”, sla ik rechtsaf de Jalan Hang Tuah in, een korte doodlopende straat die naar “Pantai Sanur” leidt en daar in een (vooral in het weekend drukke) parkeerplaats eindigt.

Op een goeie honderd meter van het kruispunt, juist op de plek waar de Jalan Hang Tuah zich vernauwt, zit een in een blauw uniform gestoken beambte midden op de weg onder een paraplu op een krukje. Zodra hij me ziet naderen komt hij met opgestoken arm overeind, de palm van z’n hand naar me toegekeerd. Ik stop vlak voor zijn opgestoken hand en betaal hem de gevraagde duizend rupiah parkeertolgeld, waar ik een bonnetje als betaalbewijs voor terug krijg. Een tiental meter na deze tolpost stuur ik mijn motor links de stoep op en rijd de net voor Warung Pojok (een kleine supermarkt) gelegen smalle steeg in. Na een meter of tien manoeuvreer ik mijn motor rechtsaf, langs een openstaand witgeschilderd hoog ijzeren hek, de binnenplaats van homestay “Pondok Santhi” op.
Ik parkeer er mijn motor op mijn vaste plekje en loop dan via een deur die nummer 12 draagt de aangrenzende supermarkt binnen (welke tevens een boekingskantoortje van de Perama shuttlebus service huisvest) om mijn komst bij de beheerder aan te melden en de sleutel van mijn kamer in ontvangst te nemen. Morgenochtend vertrek ik met de Perama boot naar Lembongan, en zoals gebruikelijk breng ik dan het liefst de nacht ervoor in deze homestay door (de boot vertrekt elke ochtend rond half elf van het strand van Sanur, en voor mij is zeven uur ‘s ochtend van Lovina vertrekken om die boot te halen veel te vroeg. Bovendien, een middag en avondje Sanur is voor mij steeds opnieuw weer een leuke onderbreking van de reis).
Zoals meestal het geval is, krijg ik ook dit weer dezelfde kamer, voorzien van een plafond fan en een badkamer met toilet en een douche met koudstromend water, voor de schappelijke prijs van vijftigduizend rupiah. Er zijn ook kamers met airconditioning en een douche met heet water, maar die kosten het dubbele. Ik reken tevens alvast mijn bootticket naar Lembongan af, dat per persoon, enkele reis, zeventig duizend rupiah kost. Omdat ik een frequente reiziger op dit traject ben, krijg ik tien procent korting op die prijs, dus ik hoef in totaal maar honderddertien duizend rupiah af te rekenen.
Nadat ik me wat heb opgefrist, verlaat ik de homestay te voet om op m’n gemakje wat door de omgeving te slenteren. Het sleuteltje van m’n motor heb ik gewoontegetrouw aan een koordje om m’n nek gehangen. Ik loop de witte poort uit, de steeg door naar de Jalan Hang Tuah, sla daar vervolgens rechtsaf en loop over de stoep richting de Jalan Bypass. Langs de kant van de weg staan wat taxi’s en bemos geparkeerd. Er tegenover, op een laag muurtje aan de andere kant van de stoep, zitten of staan de bestuurders ervan in hun eentje of in groepjes van twee of drie het verkeer in de gaten houdend, of wat met elkaar te kletsen. Zodra ze mij lopend over de stoep zien naderen, komen ze in actie. De zitters gaan rechtop zitten (of staan op), en een enkeling loopt me alvast tegemoet.
“Transport? Kuta?”, is de meest gebruikelijke begroeting - waarop ik (ook zoals gebruikelijk) mijn hoofd schud en het sleuteltje van m’n motor goed zichtbaar aan het koordje heen en weer slinger, “Sampún wentén” (hoog-Balinees voor, vrij vertaald, ‘heb ik al’). De reactie is trouwens ook meestal dezelfde, als een echo, “Sampun wenten, dia bisa basa halus!” ('heeft hij al, hij spreekt hoog-Balinees!').
Ik steek de Jalan Hang Tuah over en loop via het tussen wat groen gelegen voetpad aan de overkant van de straat naar het kruispunt met de Jalan Bypass, waar ik linksaf sla. Na een kleine honderd meter arriveer ik bij een Sumatraans eethuisje, rumah makan minang “Bundo Kanduang”, waar het voortreffelijk eten is. Ik loop er naar binnen en wordt er als een oude vriend door het bedienend personeel begroet. Direct bij binnenkomst rechts (en tevens goed zichtbaar door een grote ruit vanaf de straat), staat steunend op omgekeerde witte schalen een twaalftal schotels opgesteld met elk een bepaald soort lekkernij, onder andere gefrituurde kippenborstjes, kippenpootjes in kerriesaus, gekookte eieren, tempé, kangkung, boontjes, tahu, gefrituurde visjes, twee soorten sambal (een roodachtig-bruine en een groene, met veel pitjes), plus natuurlijk een grote elektrische warmhouder met gekookte witte rijst.
Willy, het jongste lid van het personeel, staat er op het moment dat ik binnenkom een ‘nasi bungkus’ voor een afhaalklant klaar te maken (een ‘bungkus’ is in dit geval een velletje vetvrij bruin papier wat in een punt wordt gedraaid, waarin vervolgens een dot witte rijst wordt geschept, die vervolgens wordt aangevuld met een samenstelling naar keuze van aanwezige groente, vlees en/of vis. Het wordt dichtgevouwen zodat een piramidevormig pakje ontstaat, wat na betaling door de klant mee naar huis - of waar naartoe dan ook - wordt genomen). Met een knipoog en een opgestoken hand begroet ik hem, “Hay Willy”, en loop dan door naar een van de vrije tafeltjes onder een plafond fan.
Bundo Kanduang is een eethuisje dat vierentwintig uur per dag geopend is. Op dit tijdstip (een klok aan de muur wijst kwart voor vijf aan) is het er nog niet zo druk. Slechts twee van de ongeveer acht tafels zijn bezet. Aan de muur net naast mijn tafeltje hangt een portret van de eigenaar en zijn vrouw, een jong stel dat ik beide ergens in de dertig schat. De man is gekleed in een sjiek, keurig op maat gesneden donkerblauw traditioneel kostuum en draagt op zijn hoofd een traditioneel hoofddeksel van dezelfde kleur. Zijn vrouw, aan z’n linkerzijde, draagt een in zachte groentinten uitgevoerde hoofddoek waarvan het uiteinde als een wijd geplooide sjerp over haar borst en schouder hangt. Ze glimlachen me vanaf de muur op een aangename manier hartelijk en vriendelijk toe, met een uitstraling welke doet vermoeden dat beide het goed met elkaar en het leven getroffen hebben.
De afhaalklant verlaat met zijn nasi bungkus en een korte groet de zaak. Willy loopt naar me toe en komt even bij me aan het tafeltje zitten. We begroeten elkaar nogmaals hartelijk en ik vraag hoe het met hem gaat. Drie maanden geleden heeft hij zijn ouderlijk huis in een klein dorpje op Sumatra verlaten om hier op Bali werk te zoeken en er zijn geluk te beproeven. Hij hoopt, als zijn financiële situatie het tenminste toelaat, dat hij met Idul Fitri voor korte tijd naar zijn familie in zijn geboortedorp kan terugkeren en vraagt me of ik geen zin heb om met hem mee te gaan. Ik ben nog nooit op Sumatra geweest dus dat idee staat mij wel aan. Daar komt nog eens bij, als je met een bekende op pad gaat die daar vandaan komt en de weg weet, zie je in het algemeen meer dan de gemiddelde toerist, omdat je dan op plekken komt waar een toerist normaalgesproken nooit komt. Dus wie weet?
Ik bestel een nasi met wat kip, een eitje, een visje, wat tempé, kangkung en groene sambal, plus een glas verse avocado juice. Willy staat op om deze ‘nasi campur’ voor me te gaan samenstellen, en een van z’n collega’s gaat achter de fruitbar, die zich achter in de zaak bevindt, aan de slag om de avocado-juice te bereiden (je kunt ook meelopen naar de vitrine met de schotels om zelf aan te wijzen wat je allemaal naast de witte rijst op je bordje wilt zien). Niet veel later zit ik als vanouds te smikkelen en te smullen van m'n nasi campur en een vers sapje, en als m’n bordje leeg is bestel ik ter afsluiting nog een kopje koffie (zwart met veel suiker). Tegen half zes reken ik tenslotte af en neem afscheid van Willy en zijn collega's, om nog even lekker te gaan uitwaaien op het strand van Sanur en er van de zonsondergang te genieten.
zonsondergang en avond op het strand
Ik loop dezelfde weg terug zoals ik gekomen ben. Onderweg, links op de Jalan Hang Tuah, stop ik even bij de ATM-cabine van de BNI Bank om er met mijn postbankplastic een half miljoen rupiah uit de muur te trekken. Daarna wip ik nog even snel bij Warung Pojok binnen om er een flesje water, een paar flesjes kratingdaeng (de Indonesische versie van Red Bull), wat repen chocola, en een smal, langwerpig pakje geurige wierook in te slaan, voor strakjes op het strand. Als ik kort daarna het einde van de Jalan Hang Tuah heb bereikt, steek ik schuin rechtsaf de drukke parkeerplaats over richting de smalle boulevard die daar langs “Pantai Sanur” (het strand van Sanur) richting het beroemde “Grand Bali Beach Hotel" loopt.
Via drie glimmende roestvrijstalen hekjes die zo geplaatst zijn dat je ze alleen op een ‘zigzag’ manier kunt passeren - waarschijnlijk om zo de motors er de doorgang te verhinderen, loop ik de drukke boulevard op. Aan de rechterkant van het smalle betegelde pad dat de boulevard vormt, bevinden zich een aantal kleine open winkeltjes waar hoofdzakelijk kleding en souvenirs wordt verkocht, plus enkele warungs en restaurantjes. Langs de strandkant van de boulevard (en ook een aantal meter ervan verwijderd, op het strand zelf) staan evenzovele kraampjes waar allerlei snuisterijen, voedsel en drankjes wordt aangeboden. Een geroosterde maïskolf voorzien van een lik sambal blijkt hier, vooral bij de lokale bezoeker en de nationale toerist, een zeer gewilde versnapering te zijn.
De zon staat inmiddels al weer laag aan de hemel boven het binnenland van Sanur, en de lucht begint nu roze en oranje strepen te vertonen. Nog slechts een klein deel van het strand, aan de waterkant, toont zich op dit tijdstip gehuld in een baan zonlicht. Op elk van de twee pieren die zich links en rechts van de kleine baaivormige inham in zee uitstrekken, slenteren wat wandelaars. Op het uiteinde van elke pier staat een nog in zonlicht badend, met rode dakpannen bedekt zitpaviljoen, waarop voornamelijk stelletjes romantisch van de zonsondergang zitten te genieten. Lichtgekleurde rotsblokken die in het late zonlicht een warm, zachtbeige licht uitstralen, geven de pieren aan de kop en zijkanten stevigheid en bescherming tegen de erosie van de golven van de oceaan.

Ik loop tussen de kraampjes door het grijsbruine zandstrand op en begeef me naar waterkant. Ik sta er even stil, met het late zonnetje in mijn rug, en kijk naar de tientallen (voornamelijk lokale) badgasten die zich nog in het water bevinden, waar ze volop aan het genieten zijn van hun zonsondergangbad. Een meter of twintig van me vandaan, evenwijdig aan het strand, zie ik twee oudere heren die heel langzaam (als in slow motion) de schoolslag aan het zwemmen zijn. Tientallen kleine kinderen, vaak zonder zwemkleding aan, spelen spetterend en schreeuwend in het ondiepe water, in de gaten gehouden door vaders en moeders die roerloos genietend van de laatste zonnestralen (soms met een peuter op de arm) dichtbij hun kroost in het water post hebben gevat. Dan loop ik door, langs de kalme vloedlijn, in de richting van de verste pier.
Een paar honderd meter verderop, achter een groepje bomen, torent het Grand Bali Beach Hotel op een herkenbare manier hoog boven alles uit. De ramen van de bovenste verdieping van het witte, T-vormige gebouw, waarvan de poot naar zee wijst, zijn alle uitgevoerd in groen getint glas. Bij de inrichting van deze verdieping schijnt men eveneens van slechts groene tinten gebruik te hebben gemaakt, als eerbetoon aan de vooral op Java bekende Godin der Zuidelijke Zeeën, Lörö Kidul, die als heerseres van de demonen van de onderwereld geldt. Naar verluidt is dit hotel in haar bestaan tot drie keer toe door een brand getroffen, en merkwaardig daarbij was dat die bovenste verdieping telkens intact is gebleven, onaangetast door het vuur en het bluswater.
Ik loop van het strand via een kort hellinkje de pier op en wandel over een betegeld pad naar de T-vormige kop, waar ik links van het zitpaviljoen (dat precies in het midden staat opgesteld) ga zitten op een van de bovenste rotsen die uitzicht bieden op de oceaan. Met achter me de langzaam verdwijnende warmte van de zon, kijk ik in de beginnende schemer omhoog naar de heldere lucht, waar ik, al duidelijk zichtbaar, de bijna-volle maan ontwaar die met het verdwijnende licht van de zon steeds helderder en scherper begint te worden. Hier en daar pinkelt reeds een dichtbijstaande ster.
Zodra het zonnetje definitief is verdwenen, kleurt de lucht snel donkerder en het uit zee waaiende briesje voelt nu wat koeler aan. De meeste badgasten zijn op dit moment al huiswaarts gekeerd, of zijn bezig dat te doen. De stelletjes op het zitpaviljoen maken nog geen aanstalten om te vertrekken, en waarom zouden ze? Per slot van rekening is een met sterren bezaaide zwartfluwelen hemel, waarin de volle maan een zacht getint roomkleurig licht verspreidt, een ideaal decor voor een romantisch latertje. Ik richt mijn blik weer op de oceaan, en zie hoe de maan nu een fonkelende lichtbaan op de kalme golven werpt. De kabbelende golven doen het maanlicht op een subtiele manier aan en uit flakkeren, in een hoge frequentie en met een zilverkleurige schittering. In verrukking blijf ik een tijdje naar dit wonderlijke lichtspel van de maan op de golven zitten kijken.
Als ik mijn blik weer weet los te maken van dit schitterende schouwspel, zie ik dat de pier inmiddels geheel verlaten is. Ik sta op van mijn rots en slenter in het donker en omringd door stilte terug naar het strand. Langs de vloedlijn loop ik weer richting de parkeerplaats, zo nu en dan een blik werpend op de sterrenhemel boven me, of kijkend naar de reflectie van het maanlicht op het water. Langs de nu uitgestorven en in duisternis gehulde boulevard zijn nog maar enkele stalletjes in bedrijf, zichtbaar in een zachte kring van licht dat verspreid wordt door een opgehangen olielamp. Het strand is zo goed als verlaten.
Op een plekje juist ver genoeg van het dichtstbijzijnde verlichte stalletje sta ik even stil en kijk uit over het door de maan verlichte water. Ik laat mijn armen gestrekt en iets van mijn lichaam af naar beneden hangen, met mijn handpalmen naar het zand gericht. Ik sluit mijn ogen en tracht de energie van de mij omringende natuur te voelen. Na verloop van tijd voel ik hoe mijn handpalmen met een zachte hitte beginnen te gloeien. Onwillekeurig moet ik terugdenken aan een avond in Lovina, toen ik met een goede vriend uit Nederland daar net zo op het strand stond, mediterend en genietend van de elementen, en gedurende een tijdloos moment heb ik het gevoel dat hij hier nu weer naast me staat. Tijd en afstand zijn even verdwenen als de kracht van gedachten de energie van de herinnering heeft teruggeroepen.
Dan ga ik in kleermakerszit in het zand zitten. Met mijn handen strijk ik het zand voor me vlak en trek er dan met mijn vinger twee cirkels in, een grote met precies in het midden ervan een kleintje. Vanaf de omtrek van het kleine cirkeltje trek ik een lijn naar elke windrichting. Dan open ik het pakje met de wierook, haal er elf staafjes uit, en strijk een lucifer aan. Ik laat de wierookstaafjes ontbranden en steek dan telkens waar de lijnen de buitenste cirkel raken een staafje in het zand. De overbleven drie staafjes plaats ik in het kleine circeltje in het midden, dat het centrum, boven en beneden voorstelt. Het is het symbool van de 'Dewa Nawa Sanga', de Hindu goden van de acht windrichtingen, met Shiva (waarin deze acht goden versmelten) in het centrum. Met mijn handen rustend op mijn dijen en mijn handpalmen naar boven gericht stil ik mijn gedachten en concentreer me op mijn ademhaling, en bereik zo langzaam een staat van diepe meditatie.
nachtelijk bezoek aan een straatwarung
Als ik uiteindelijk weer vanuit die staat van meditatie naar het strand van Sanur ben teruggekeerd, is het inmiddels al weer over elven. Het zeebriesje voelt nu door de inmiddels tot onder de vijfentwintig graden gedaalde temperatuur kil aan, waardoor een kippenvel veroorzakende rilling over mijn lichaam trekt. Langs de verlaten boulevard zijn nu nog maar twee of drie stalletjes geopend, zichtbaar in een kleine lichtkring als eenzame oases in de duisternis. Ik sta op en loop terug naar de parkeerplaats.
De door wat straatlantaarns spaarzaam verlichte parkeerplaats ligt er eenzaam en verlaten bij. Op een enkele motorfiets na is de parkeerplaats geheel leeg. Even verderop, op een laag muurtje, ligt iemand met opgetrokken knieën te slapen. Ook de Jalan Hang Tuah ligt er verlaten bij. Zodra ik die Jalan Hang Tuah op loop, laat ik het kille zeebriesje achter me. Door het ontbreken van dat briesje en door de iets hogere temperatuur die hier heerst, voelt de lucht gelijk een stuk warmer aan op mijn huid. Slechts hier en daar, in een parkeerkom links van de weg, staat in het licht dat door een straatlantaarn wordt verspreid een auto geparkeerd. De smalle stoepen zijn geheel verlaten. De winkeltjes in de straat zijn alle reeds gesloten, en sommige zijn met neergelaten grijsmetalen rolluiken beveiligd. In het inwendige van de grotere open restaurantjes staan de tafels en stoelen eenzaam en gehuld in duisternis te wachten op het licht van de volgende ochtend.
Nergens in de duisternis om me heen is beweging waar te nemen, ik wordt slechts omringd door stilte. Een stilte die me een gevoel van eenzaamheid geeft, een merkwaardig en opwindend gevoel van alleenzijn, in een omgeving die weliswaar bekend is, maar die door de duisternis en stilte tevens een vreemde lading van onbekendheid krijgt. Vergeleken met overdag straalt zo'n nachtelijke omgeving een geheel andere energie uit. Rustgevend, maar tegelijkertijd je voorzichtigheid prikkelend.
Ik heb nog geen zin om naar Pondok Santhi terug te keren om m'n bed op te zoeken. Ik besluit om nog even naar de straatwarung van Agus te gaan (die niet ver hier vandaan aan de Jalan Bypass is gelegen) om daar nog wat te kletsen en een bakkie te doen. Ik loop over de smalle stoep door de Jalan Hang Tuah in de richting van de Jalan Bypass. Slechts hier en daar wordt de betrekkelijke duisternis die in de straat heerst onderbroken door de stille lichtkring van een straatlantaarn (waarin het asfalt koel schittert, en de in een gele lichtkring zichtbare bladeren van een boom op een bijzondere manier in goudkleurige tinten lijken te gloeien).
Op het punt waar de straat zich verwijdt, steek ik het asfalt over naar de overkant. Op het moment dat ik een voet op het asfalt zet, dooft achter me plotseling het licht van de dichtstbijzijnde straatlantaarn. Ik kijk snel even achterom, en loop dan langs de brede oprit van het Grand Bali Beach Hotel naar het smalle voetpad dat tussen wat groen door naar de Jalan Bypass loopt. Zodra ik dat voetpad heb bereikt, merk ik dat de straatlantaarn weer aanspringt. Aangekomen bij de Jalan Bypass sla ik net als vanmiddag weer links af. Agus' warung ligt ongeveer een kilometer verderop, aan de andere kant van de Jalan Bypass. Op de hoogte van Bundo Kanduang steek ik, via de smalle middenberm, de brede en nu stille weg over. Waar het verkeer overdag vrijwel continue voorbijraast, rijdt op dit tijdstip nog maar slechts een enkele auto - wat dat weldadige gevoel van eenzame stilte dat ik heb gelukkig nauwelijks kan verstoren.
Niet veel later arriveer ik bij het terrein van de Suzuki dealer (al van verre aangekondigd door een wit reclamebord waarop in grote letters "SUZUKI" staat te lezen, waar Mas Agus gedurende de avond en de nacht zijn straatwarung runt. Op een geel spandoek, dat de keuken van de warung van de weg scheidt, is de naam van zijn warung te lezen, "Get Lucky". Haaks op die keuken staat een 'kaki lima', een klein karretje op twee wielen waarop een kleine vitrine met etenswaar staat, en die tevens als afhaalbalie dient. Onder de overkapping van het gebouw staan op een langwerpig, dun kleed drie lage tafeltjes, die alle netjes met een blauw kleedje zijn gedekt. Aan een van die tafeltjes zit een man van middelbare leeftijd, gekleed in traditionele Hindu kleding, een bord nasi goreng te eten. Links van de tafeltjes staan een paar grote boxen waaruit een song van UB40 klinkt. Zodra hij me ziet, wordt ik door Agus op de zo bij hem behorende manier enthousiast begroet. Ik ga aan een van de tafeltjes zitten en bestel een koffie. Op het tafeltje staan een viertal verschillende limonadeflesjes, aflopend in grootte, netjes op een rijtje opgesteld. Ernaast ligt een dik boek.
Agus is een kleine, tengere Javaanse jongeman met kort, enigszins krullend haar, een klein dun snorretje en grote onschuldige ogen. Hij heeft een gave om klanten te trekken. Telkens als er mensen voorbijlopen, springt hij op om ze op een uitgelaten en enthousiaste manier te begroeten. Ik herinner me nog goed hoe ik hem voor de eerste keer ontmoette, toen hij zijn warung nog in de Jalan Hang Tuah had, schuin tegenover de supermarkt van Pondok Santhi. Lopend aan de overkant van de straat hoorde ik hoe mij enthousiast toeriep, op een manier alsof we oude bekenden waren. In de stellige overtuiging dat ik hem al eerder ontmoet moest hebben (maar dat vergeten was), stak ik uit nieuwsgierigheid de straat over. Ondanks het feit dat ik erachter kwam dat hij bij nader inzien geen bekende bleek te zijn, straalde hij iets uit waarvoor ik niets anders dan bewondering kon hebben, en uiteraard bestelde ik wat bij hem. We raakten in gesprek en hij bleek een aardige, goudeerlijke en hardwerkende jongen te zijn. We raakten tenslotte bevriend, en steeds als ik in Sanur ben, zoek ik hem even op.
Sinds zijn gedwongen verhuizing naar deze huidige locatie (de plaatselijk autoriteiten hebben enkele maanden geleden alle uitbaters van straatwarungs op de Jalan Hang Tuah de wacht aangezegd), is zijn succes alleen maar toegenomen. Hij heeft nu een goed lopende warung met twee man personeel in dienst, en zijn droom is om ooit een eigen restaurant aan het strand te hebben. Hij heeft een speciale afspraak met de eigenaar van de Suzuki dealer gemaakt om gedurende de tijd dat de zaak gesloten is er zijn warung te mogen runnen. Het mes blijkt hierbij aan twee kanten te snijden, want door het gedogen van Agus' warung hoeft de eigenaar nu geen geld uit te geven om zijn zaak tijdens de nachtelijke uren te laten bewaken.
Ondanks het late tijdstip is er regelmatig aanloop van klanten (lopend, per auto of op motors), om ter plekke iets te eten of om een gerecht af te halen. Als het even rustig is, brengt Agus me nog een glas koffie (van het huis) en komt even naast me zitten. Opgetogen vertelt hij me dat de baas van een groot restaurant uit de buurt regelmatig langs komt om bij hem een hapje te eten. En de laatste keer dat hij hier was, heeft hij een dik kookboek, speciaal voor restaurants, van hem cadeau heeft gekregen. Hij laat me trots het boek zien, dat voor hem op het tafeltje ligt.
Als ik het glas koffie heb leeggedronken, vraagt Agus of ik een van zijn nieuwste gerechten, een garnalensoep, wil proberen. Uiteraard heb ik daar geen bezwaar tegen. Agus staat op en loopt naar z'n veldkeuken waar hij aan de slag om de soep te bereiden. Een minuut of tien later serveert hij de soep, en ik sta er verbaasd over hoe hij met zo weinig middelen een dergelijk gerecht van uitstekende kwaliteit kan produceren. Als de soep even later op is, kijkt hij me vol verwachting aan, "En, wat vind je ervan?". Ik sla hem op de schouder en zeg dat het me zou verbazen als ik niet ooit eens in zijn restaurant aan het strand zal binnenlopen.`Met een brede lach neemt hij dit compliment in ontvangst, en staat dan weer op om een net gearriveerde klant te helpen.
Het is even over drieën als ik afscheid neem van Agus en terugweg naar Pondok Santhi.aanvaard. Als ik daar een klein kwartier later arriveer, blijkt het hoge ijzeren hek al gesloten te zijn, dus er zit niets anders op dan de beheerder uit z'n bed te bellen zodat hij dat hek voor me open kan doen. Nadat ik met mijn duim op de bel heb gedrukt, hoor ik (na even wachten) wat gestommel, en daar is hij dan, met slaperige ogen en slechts gekleed in korte broek. Zodra hij het hek voor me heeft geopend, verdwijnt hij weer snel met een 'selamat tidur' (welterusten) naar zijn bed. Ik verdwijn ook naar mijn kamer om nog even een paar uurtjes slaap mee te pikken voordat ik met de boot naar Lembongan vertrek. Om het risico van verslapen te vermijden, zet ik voor alle zekerheid maar het alarm van m'n mobieltje, op negen uur. Als ik uiteindelijk het licht uitknip, is het inmiddels al weer half vier in de ochtend.