Sanur, anderhalf uur voor het vertrek van de boot
Het alarm loopt af, het is negen uur in de ochtend. Ik gooi het laken van me af, zwaai m'n benen over de rand van het bed en ga zitten. Ik bevind me in een kamer van homestay "Pondok Santhi" aan de Jalan Hang Tuah in Sanur. Met een slaperig gezicht blijf ik nog even op de rand van mijn bed zitten en kijk naar de tegenover me aan de muur hangende reproductie van het mij aansprekende schilderij "Wederzijdse Aantrekkingskracht", geschilderd door de ooit in Ubud woonachtige Nederlandse kunstschilder Arie Smit. Dan sta ik op en loop de badkamer binnen om te gaan douchen, want over anderhalf uur vertrekt de Perama boot vanaf het strand van Sanur naar Lembongan.
Een kwartiertje later heb ik m'n spulletjes verzameld en in m'n rugzakje gestopt. Ik loop voor alle zekerheid nog even de kamer en de badkamer door om te controleren of ik niets vergeten ben. Dan verlaat ik de kamer en loop via het binnenplaatsje naar het hoge witgeschilderde ijzeren hek dat toegang geeft tot een smalle steeg die op de Jalan Hang Tuah uitkomt. Met de beheerder van Pondok Santhi heb ik het zo geregeld dat ik mijn motorfiets gedurende de dagen die ik op Lembongan verblijf, op het binnenplaatsje geparkeerd mag laten staan. Wel zo handig, want op die manier staat hij al die tijd zowel droog als bewaakt. Ik loop het hek door, sla links af de steeg in, loop de tien meter die tussen het hek en de Jalan Hang Tuah liggen, sla daar weer links af, en sta dan voor warung Pojok, het bij Pondok Santhi behorende supermarktje.
Voor het open zaakje, dat tevens een boekingskantoortje van Perama en een geldwisselkantoortje herbergt, staan half in de schaduw van het al warme ochtendzonnetje een paar kleine, ronde witstenen tafeltjes met een aantal lage stenen krukjes, plus twee wat verbleekte groene plastic stoelen. Naast die zitjes, aan de linkerkant van het zaakje, staat een tafel waarop een keur aan etenswaar en snoep ligt, zoals in plastic verpakte broodjes, in bruin pakpapier verpakte 'nasi ayam' (rijst met kip), pakken met koekjes, lollies, instant indo mie, en (gelukkig) een grote thermoskan met koffie. Aan de tafeltjes zitten reeds enkele toeristen te wachten op de shuttlebus (of de boot) van Perama, die een aantal van de meest toeristische plaatsen van Bali met elkaar verbindt, zoals Kuta, Ubud, Bedugul, Lovina, Padang Bai, Candi Dasa, en uiteraard Sanur en Lembongan. Naast hen en op de paar treden die naar het supermarktje leiden, staan tassen, rugzakken, koffers en een of twee in donkere hoezen gestoken surfboards.
Ik knik de wachtende toeristen goedemorgen en loop het zaakje binnen om er wat broodjes, een rol vruchtenkoekjes, een paar repen chocola met nootjes, vier flesjes kratingdaeng (de Indonesische variant van Red Bull) en een fles water in te slaan. Daarna loop ik naar de balie met de kassa, die zich links voorin het zaakje bevindt, om er mijn sleutel af te geven en om mijn boodschappen af te rekenen. Mijn bootticket naar Lembongan (zeventig duizend rupiah, enkele reis) heb ik gisteren al betaald, gelijk met de kosten van de overnachting (vijftigduizend, voor een kamer met plafond fan en douche met koudstromend water. Kamers met airconditioning en douche met heet water zijn er ook, maar die kosten het dubbele). Dan ga ik weer naar buiten en ga zitten op een van de plastic stoelen. Ik bestel een kop koffie om helemaal goed wakker te worden.
Een grote, witte touringcar rijdt de straat in en parkeert juist tegenover de plek waar ik zit, aan de overkant van de straat. Een hele lading met traditionele hoofddoeken (vrouwen) en hoofddeksels (mannen) getooide moslims, voornamelijk jongelui (waarschijnlijk dagtoeristen uit Java), klimt de bus uit en wandelt vervolgens in groepjes van zes tot tien richting het strand. Als de bus leeggelopen is, verlaat de chauffeur ook de bus - waarschijnlijk op zoek naar zijn 'sarapan' (ontbijt), of om een kletsje met collega's te maken, maar zonder eerst de motor van de bus af te zetten; hij laat hem stationair draaien, wat ik onbegrijpelijk vind, gezien de onnodige milieu- en geluidsoverlast wat dat veroorzaakt.
Even na kwart voor tien nadert een groepje toeristen over de smalle stoep, vanuit de richting van het strand. Ze sjouwen koffers, rugzakken en tassen met zich mee, en sommige van hen dragen een surfboard onder de arm. Een paar meter voor hen uit loopt Wayan, de kaartjescontroleur van de Perama boot. Hij is gekleed in korte broek en een rood met wit poloshirt, de kleuren van Perama. Op zijn neus prijkt een grote zonnebril met een breed wit montuur, wat een sterke associatie met Calimero bij me oproept. Ik steek mijn hand op in begroeting zodra hij het kleine terrasje waar ik zit heeft bereikt, "Selamat pagi Wayan, apa kabar?" (goeiemorgen Wayan, hoe gaat het?). Hij lacht en houdt zijn rechterhand omhoog, palm naar me toe, waarop ik de palm van mijn rechterhand tegen de zijne sla. Na wat beleefdheden met hem te hebben uitgewisseld, pak ik mijn rugzakje en sta op om alvast richting het strand te lopen, naar de plek waar de Perama boot ligt afgemeerd.
Als ik de parkeerplaats aan het einde van de Jalan Hang Tuah heb bereikt, wordt ik zoals altijd ook dit keer weer benaderd door een nogal gezette Balinees, gekleed in een gevlekte, wijde korte broek en een dito T-shirt. Telkens als ik hier ben, probeert hij me een kaartje voor de 'public' boot te verkopen. Die boten zijn wat goedkoper dan Perama en zijn daarom vooral geliefd bij de lokale bevolking die van en naar Lembongan reist. Ze zitten dan ook meestal overvol, zowel met mensen als met goederen. Als het erg druk is, zit je er als haringen in een ton en moet je niet gek opkijken als er zelfs nog mensen op de overkapping van die boten klimmen - alle veiligheidsvoorschriften ten spijt. Daar komt nog eens bij dat die publieke boten een stuk langzamer varen dan die van Perama.
" Selamat pagi, boss", begroet ik hem glimlachend, voor hij de kans krijgt om me aan te spreken.
" Lembongan?", wenst hij me goedemorgen terug. Blijkbaar is hij met het verkeerde been uit bed gestapt, want er is zelfs ook maar geen spoortje van een glimlach op zijn gezicht te bespeuren.
" n'dak, Ceningan", reageer ik met een brede glimlach, alvast anticiperend op zijn vervolgvraag. (Ceningan is een klein eilandje dat net achter Lembongan ligt. Beide eilandjes worden door een ondiepe, ongeveer honderd meter brede 'zeestraat' van elkaar gescheiden en zijn middels een smalle brug, waarover slechts voetgangers en motors kunnen passeren, met elkaar verbonden).
" Already have ticket?", schiet hij zijn vervolgvraag op me af.
" n'dak, saya mau coba renang kali ini", grijns ik met getuite lippen, grappend dat ik dit keer wil proberen om Lembongan zwemmend te bereiken. "Saya lagi naik kapal Perama, boss", vervolg ik, te kennen gevend dat ik zoals altijd de oversteek weer met de prauw van Perama maak. Balinezen staan er om bekend dat ze zo'n goed geheugen voor gezichten hebben, maar deze man vormt toch echt de gulden uitzondering op die regel. Nu hij in de gaten heeft dat hij me geen kaartje voor de 'public' boot kan verkopen, draait hij zich abrupt om, op zoek naar de volgende toerist die met bagage in de richting van het strand loopt.
Ik vervolg mijn weg, steek de parkeerplaats schuin over en loop dan tussen de hekjes door die de parkeerplaats van de strandboulevard scheiden. Er heerst zo'n typische, trage ochtendsfeer op de boulevard, waarbij alle activiteit duidelijk nog op een laag pitje staat. Ik zie werkelijk niemand die zich haast. In de schaduw, welke door het gebladerte van bomen op en langs de boulevard wordt geworpen, zitten hier en daar de uitbaters van warungs en stalletjes in alle rust een ochtendkrantje te lezen. Achter haar lage stalletje, een meter of drie links van me op het strand, zit een maïsverkoopstertje, in gedachten verzonken, stil voor zich uit te staren. Een goeie vijftig meter verderop, achter de pier, zie ik de prauw van Perama al liggen, afgemeerd in het water van de zee op een meter of vijf afstand van het strand.

Als ik op de hoogte van de Perama boot ben aangekomen, stap ik de boulevard af en loop over het strand naar de waterkant. De witgeschilderde boot ligt aan de achterkant met een anker (als een gigantische vishaak) in het zand van het strand vast. De boot is in feite een grote 'jukung', een traditionele Indonesische prauw met twee lange bamboe drijvers aan elke kant welke de boot stabiliteit in het water geven. Via een smal, schuin loopplankje (dat links aan de zijkant van het achtersteven van de boot is bevestigd) kun je de boot op lopen. Om die loopplank te bereiken, moet je eerst een meter of twee, drie door het meestal kuitdiepe water waden (waarbij je het zo uitmikt dat je het water instapt als het water van de zee zich van het strand terugtrekt, want het op het strand rollende water is namelijk al gauw kniediep, en dat kan tot aan je kruis opspatten, als je pech hebt).
Ik ken de klappen van de zweep, en even later bevind ik me veilig en wel aan boord van de boot. De boot is, op de kapitein na, leeg. In de kuip van de boot staan aan elke zijde tien lage, donkerbruine houten bankjes die (om verschuiven te voorkomen) met onder de poten bevestigde pinnen in de vlonder van de boot zijn vastgezet. Elk van die bankjes biedt plaats aan twee personen. Voorzichtig stap ik van het achtersteven af (waar de kapitein achter het platte stuurwiel van het roer een 'nasi bungkus' zit te eten), de lager gelegen kuip van de boot in, daarbij oppassend dat ik mijn hoofd niet tegen de rand van de lage overkapping van de boot stoot.
Ik neem plaats op een van de achterste bankjes, aan de rechterzijde, en zet m'n rugzakje naast m'n voeten neer. Met m'n broodjes en een flesje kratingdaeng kijk ik al etend en drinkend vanaf m'n zitplaats naar de vroege badgasten die zich reeds op het strand en in het water bevinden, in afwachting van het vertrek van de boot naar Lembongan.
overtocht naar Lembongan
Rond half elf zie ik een groepje van zo'n tien, twaalf toeristen, vergezeld door Wayan, bepakt en bezakt het`strand oversteken richting de boot. Een aantal min of meer stevige, lokale Balinezen biedt hen aan om voor de prijs van tienduizend rupiah per koffer of tas, bagage aan boord van de boot te dragen. Een enkele toerist laat zich vanwege watervrees (of om een andere reden) op de rug van een van hen naar de loopplank dragen en ik neem aan dat daarvoor een wat hogere prijs betaald dient te worden. Neem je een motorfiets mee, zo weet ik, dan betaal je voor zowel het aan boord dragen als voor het later op Lembongan weer van boord dragen (telkens door zo'n vier a vijf man) honderdduizend rupiah.
Rechts op het achtersteven van de boot (links als je in de boot zit) staat een hoge, witgeschilderde kastachtige constructie, met op de zijkant ervan een toepasselijke reclame sticker van "Castel Lager" - het toilet van de boot (een voorziening die de publieke boten overigens niet bieden). De bagage van de toeristen wordt door een medewerker van Perama links en rechts tussen het verhoogde achtersteven en de eerste bankjes in de kuip van de boot gestouwd. De toeristen zelf zoeken links en rechts een plekje op de bankjes. Twee of drie van hen klimmen voorin uit de kuip op het platte voorsteven van de boot, waar ze genietend van het zonnetje en een matig zeebriesje languit van het uitzicht over zee gaan zitten genieten. Met een doffe 'bonk' stoot een lange, blonde Australiër (met een walkman op) zijn hoofd tegen de lage overkapping van de boot. Hij duikt in elkaar, grijpt even naar zijn hoofd, en vervolgt dan zacht voor zich uit mompelend zijn weg weer naar voren.
Rond vijf voor elf worden voor en achter de ankers opgehaald, en even later worden de drie grote Yamaha buitenboord motoren, die aan het achtersteven hangen, met een sputterend geluid gestart. Langzaam glijdt de boot over het water naar achteren. Ik zit schrijlings achterover op m'n bankje, met mijn ellebogen leunend op de rand van het zijsteven van de boot, en kijk opzij naar het langzaam voorbij glijdende water. In de verte, afstekend tegen een diepblauwe lucht boven de vage, grijsgroene kust van Klungkung en Karangasem, zie ik de indrukwekkende kop van de heilige berg Gunung Agung als een eiland boven een langgerekte straat van witte, bloemkoolachtige wolken uitsteken.

De boot vaart nu met lage snelheid evenwijdig aan de kust van Sanur, op weg naar een plek links van de langgerekte, in wit schuim omkrullende golven, waar hij veilig langs het koraalrif, en ongehinderd door de hoge branding, de open zee kan bereiken. Dan wendt het voorsteven, en de boot begint vaart te maken. De motoren razen nu op volle kracht. Achter me wordt het markante, hoge witte gebouw van het "Grand Bali Beach Hotel" snel kleiner. Het zeewater schiet bruisend en spetterend langs de bamboe drijvers voorbij. Door de golfslag klappen de drijvers af en toe hard op het water, wat schitterende fonteinen van wit glinsterende, kleine waterdruppeltjes oplevert. Een enkele keer stuift een fijne nevel van die druppeltjes gedragen door de wind de boot in, wat heerlijk fris aanvoelt op de huid van mijn armen en mijn gezicht.
Terwijl ik met de onderkant van mijn T-shirt de minuscule druppeltjes van mijn zonnebril veeg, kijk ik uit over zee naar het langgerekte, vaag grijze silhouet van het eiland Nusa Lembongan, dat in de verte onder een dunne, grijze wolkenband aan de horizon zichtbaar is. De lucht is hemelsblauw en er hangt nauwelijks bewolking boven zee. Slechts boven het kustgebied van Klungkung en Karangasem drijft een onderbroken band van kleine, witte cumulus wolken. Terwijl ik zo over het water staar, valt het me ineens op dat het water van de zee zoveel verschillende kleuren toont. Ik zie kleuren die ik nog nooit gezien heb, nieuwe kleuren, kleuren die ik slechts bij benadering kan beschrijven. De door de zon beschenen, licht golvende watervlakte wordt doorsneden door typisch getinte lichtblauwe strepen, waarin (of waartussen) honderden goudkleurige plekken zichtbaar zijn die als olievlekken op het water lijken te drijven. Die strepen lijken soms licht grijsblauw van kleur, dan weer eens turkoois, en dan weer iets lichter dan zachthelder hemelsblauw. De strepen en vlekken kabbelen rustig en ritmisch op en neer, in parallelle, langgerekte en geribbelde banen waarin een dynamisch reliëf van oprijzende golfjes zichtbaar is, als een vlakte van in zwarte en grijsblauwe lijnen getekend miniatuur gebergte. Hier en daar vertonen de koppen van met name de goudkleurige golfjes absorberend diepzwarte randen. Daar waar de zonnestralen het water raken, schitteren tussen die fantastische kleurenshow talloze kleine, helwitte sterretjes. Als je goed kijkt, lijkt het net alsof de zon haar lichtstralen op het water laat regenen. Zodra de lichtstralen het water raken, spatten ze in kleine, felle witte lichtdeeltjes fonkelend nog een stukje op, omhoog reikend naar de bron waaruit ze ontstaan zijn.
Voor ik er erg in heb, zijn we al weer vlak bij de kust van Lembongan. De vage grijze contouren van het eiland hebben inmiddels plaatsgemaakt voor duidelijk herkenbare, scherpe details. Ik kan nu zien hoe de golven in hoog opspattend, wit schuim tegen de rotsachtige zuidkust van het eiland kapot slaan. Rechts van me, ongeveer twee kilometer uit de kust van Lembongan, vertoont de zee een kring van met wit schuim gekopte golven. Op die plek ligt een berg onder water, zo weet ik, welke het snelstromende water tussen de kust van Bali en Lembongan onderbreekt. Om die reden kolkt het water er dan ook bijna altijd (ook tijdens rustig tij) met schuimende koppen rondom die onderwater berg, waarvan de top, afhankelijk van het tij, zo'n veertig tot vijftig meter onder het oppervlak van de zee ligt. Een pemangku priester van de Ulun Danu tempel op het eiland Nusa Ceningan heeft me ooit eens verteld dat die onderwaterberg als de 'Gunung Kidul' bekend staat, vernoemd naar de vooral op Java bekende Godin der Zuidelijke Zeeën, Lörö Kidul, heerseres over de demonen van de onderwereld. In die Ulun Danu tempel, die boven op een heuvel is gebouwd (vanwaar je een schitterend uitzicht hebt op de Gunung Agung), staat op een verhoging een miniatuur schip dat door een beeld van die Lörö Kidul en van Dewa Baruna, de God der Zee, wordt geflankeerd.

Ik hoor het toerental van de buitenboord motoren verminderen en de boot begint nu langzamer te varen. We zijn de kust van Lembongan inmiddels al dicht genaderd. Ik kijk op mijn horloge en zie dat het tien voor twaalf is, we zijn dus sinds het vertek uit Sanur op dit moment zo'n vijfenvijftig minuten onderweg. Het zal nu niet lang meer duren voordat we de boot kunnen verlaten, en we eindelijk voet aan land, op het strand van Lembongan, kunnen zetten.
aankomst op Nusa Lembongan
De boot vaart nu langs een breed ponton waarop een blauwe glijbaan constructie is gebouwd. Ernaast ligt een grote, hoge witte boot van "Bali Hai", een ultramoderne en luxe uitgevoerde, overdekte catamaran boot welke in staat is om de oversteek in nog geen twintig minuten maken. De prijs die je voor de oversteek aan Bali Hai moet betalen, is dan ook exponentieel duurder - ik meen iets van veertig dollar per persoon. Even verderop ligt een klein platform in zee waarop ik duikers en snorkelaars zie klimmen, of er juist vanaf zie springen. Een speedboot trekt met hoge snelheid een grote, opgeblazen gele banaan door het water waarop een stuk of zes in zwemvest gestoken vakantiegangers zitten, die zich met vrolijk lachende gezichten stevig vasthouden en zo nu en dan met een armzwaai de inzittenden van een boot groeten die ze onderweg passeren. Wat verderop, in het groenblauwe water van de zee, zie ik een aantal surfers die zich, op hun buik op hun surfplank gelegen, crawlend naar de wat verder in zee aanrollende, langgerekte hoge golven toe bewegen.

Niet veel later varen we evenwijdig vlak langs de kust van het eiland. Een meter of veertig rechts van me zie ik een lage, groene heuvelrug waarop hier en daar, verscholen tussen het groen, de daken van huisjes zichtbaar zijn. Met name gedurende de laatste vijf jaar is Lembongan een bij de toeristen populair oord gebleken, en sindsdien is de horizon er dan ook sterk veranderd door de bouw van ressorts en privé huizen. We varen nu langs een smalle strip van rode daken, ongeveer tien stuks, die in rijen van twee boven elkaar tegen de lage heuvel liggen. In het water liggen talloze boten, variërend van de jukungs van lokale vissers tot luxe zeiljachten.
Dan vaart de boot vlak langs een wit zandstrand. Tegen een achtergrond van lage, groene palmbomen zie ik wat eenvoudige, kleine huisjes (of misschien kan ik ze beter 'armoedige hutjes' noemen), welke waarschijnlijk door de lokale vissers en zeewiertelers worden bewoond. Sommige van die hutjes staan achter een omheining van kleine, beigekleurige rotsblokken, of achter een schutting van op kreupelhout gelijkende, grijsbruine takken. De meeste van die hutjes hebben daken van 'lalang', bundels van donkerkleurig, gedroogd gras. In het water (en ook half op het strand getrokken) liggen tientallen kleurige, kleine prauwen, waarvan de meeste in een combinatie van okergeel en donkergroen, of in een combinatie van een licht blauwgroen met donkerrood zijn geschilderd.
Het water is hier zo helder als glas. De zeebodem langs de boot toont een levend, kleurrijk schilderij van zand, kiezels en schelpen. Fel blauwe en gespikkelde gele vissen schieten, soms in kleine scholen, naar links en rechts weg. De zanderige bodem toont nu beige getinte kleuren, en zo nu en dan varen we over kleurig lichtblauw en roodachtig koraal, waartussen ik hier en daar soms een zeester ontwaar. Het is hier duidelijk een waar paradijs voor duikers en snorkelaars, constateer ik.

De boot begint steeds langzamer (en dichter bij het strand) te varen, en we passeren nu rakelings enkele tientallen kleurige jukungs, die hier en daar in het water voor anker liggen. In de schaduw van wat bomen, voor een klein gebouwtje, zitten wat eilandbewoners met opgetrokken knieën in een klein groepje op het strand de aankomst van onze boot af te wachten. Rechts van dat gebouwtje staat een verlaten, open strandbarretje, dat tot voor kort door Phil, een Engelsman uit Manchester, werd geëxploiteerd. "Scooby Doo", zo staat de naam van het barretje op een lange blauwe vaandel te lezen. Nadat het leasecontract van de bar was afgelopen, heeft Phil het niet meer verlengd. In plaats daarvan houdt hij zich nu bezig met de verhuur van jetski's, een steeds meer in populariteit toenemende watersport, en daardoor een lucratieve business
De boot ligt nu op een meter of vijftien van het strand stil, en begint langzaam een bocht van vijfenveertig graden te draaien. Met het achtersteven naar het strand toe gewend, vaart de boot tenslotte langzaam achteruit. Het groepje eilandbewoners staat nu op en slentert op z'n gemakje naar de plek toe waar onze boot aan het landen is. Ik pak m'n rugzakje op en klim alvast uit de kuip van de boot op het achtersteven, waar ik bij het loopplankje even blijf staan wachten totdat de boot het witte strand tot op een paar meter genaderd is. Dan loop ik de loopplank voorzichtig een stukje af, wacht even tot ik het water onder me in de richting van de zee zie terugtrekken, en stap dan met een halve sprong droog en wel op het warme, witte zand van het strand van Lembongan.
Het groepje eilandbewoners, dat me in tegenstelling tot die dikke man in Sanur wel herkent, groet me met opgestoken hand en een "Om Swastyastu". Het zijn voornamelijk jongelui, die de pas gearriveerde toeristen aanbieden om hen per 'ojek' (motorfietstaxi) naar hun overnachtingadres op Lembongan te rijden. Mocht je op de bonnefooi naar Lembongan zijn gereisd, onbekend met het aanbod van hotels ter plekke, dan kunnen ze je tevens een hotel adviseren (de prijzen voor een budget overnachting beginnen ergens rond de honderdvijftigduizend rupiah).
Lembongan is een relatief klein eilandje, dat tot voor kort nog maar nauwelijks toerisme kende. Auto's zie je er niet of nauwelijks, en taxi's al helemaal niet. Veel eilandbewoners verplaatsen zich er nog steeds te voet (over slechts kleine afstanden, voor velen blijkt de wereld nog steeds zeer klein te zijn), maar tegenwoordig rijden er ook een paar honderd motorfietsen rond over de smalle weggetjes van het eiland. Zo nu en dan kom je er wat kleine trucks tegen die voor goederentransport worden gebruikt. Ook rijdt er een enkele omgebouwde pick-up truck rond die (hoofdzakelijk voor toeristen) als 'bemo' wordt gebruikt. Je zit er dan op bankjes in de achterbak, waarbij die bemo truck dan een route langs de meest populaire hotelletjes van Lembongan rijdt. Heb je een hotelletje ergens aan het strand, dan bestaat nog de mogelijkheid om je door een plaatselijke visser per jukung op het strand voor je hotel te laten afzetten.
Ik loop met m'n rugzakje door het zand in de richting van het gebouwtje, waarvoor de ojek jongens zojuist zaten te wachten. In het gebouwtje bevindt zich een klein, open restaurantje met wat tafeltjes en stoelen (en een versleten, leren bankstel) waar je wat kunt eten en drinken. Ook kun je er overnachtingen boeken. Ernaast bevindt zich een boekingskantoortje van Perama.
Voordat ik m'n weg verder vervolg naar m'n logeeradres op Nusa Ceningan (als ik Lembongan bezoek, logeer ik meestal bij mijn vriend Zulfikar die een huis heeft op Nusa Ceningan, het buureiland van Lembongan), stamp ik het zand van m'n voeten en loop het restaurantje binnen om eerst nog even een bak koffie te drinken.