Zaterdag 14 juni 2003
Het is een heldere en koele nacht. Samen met een paar vrienden zit ik op het terras van mijn huis in Kalibukbuk te genieten van een flesje wijn. De donkere silhouetten van de kruinen der palmbomen, waarvan de door het maanlicht beschenen bovenste bladeren een glanzende, zilverkleurige rand vertonen, steken scherp af tegen de met diepzwarte, sterren bezaaide hemel. De klok die aan de muur boven de keukendeur hangt, geeft aan dat het even na kwart voor elf is.

Terwijl we gezellig zitten te praten en te lachen, zie ik hoe Gede plotseling verstrakt. Zijn gezicht toont een verontruste uitdrukking. Ik vraag hem wat er aan de hand is.
"Ik hoor een uil roepen", zegt hij op een voor hem hoogst ongebruikelijk nerveuze toon. Hij schuift onrustig heen en weer op z'n stoel. "Daar, tussen de kokospalmen", wijst hij met een hand in de richting van de kokospalm plantage, die gelegen is aan de overzijde van het smalle pad dat die plantage van de tuin van mijn huis scheidt.
Dan leunt hij voorover en gaat, met een wat schuin gehouden hoofd, weer ingespannen zitten luisteren. Ik luister met hem mee, maar hoe ik mijn oren ook spits, ik kan geen roep van een uil ontdekken. De anderen zijn nu ook opgehouden met praten, en met acht oren zoeken we nu tussen het tjirpende geluid van de krekels naar de roep van die uil. Dan, plotseling, hoor ik het ook, de roep van een uil!
Ik luister nog eens goed, en hoor dat de roep van die uil anders is dan normaal..... in plaats van het te verwachten, “Oe-hoe....Oe-whit”, hoor ik vanuit het duister van de plantage een vreemde, afwijkende roep op me afkomen, “Oe-hoe.... eh..eh..eh..eh”. Gede is om de een of andere reden zichtbaar van streek door die vreemde roep.
Dan horen we ineens de honden in ons laantje aanslaan. Gede voelt zich duidelijk niet op z’n gemak. Met een wat onzekere stem zegt hij dat er iemand, of iets, daar buiten op het pad is. Hij staat op en loopt samen met Ketut door de tuin naar het hek om een kijkje te nemen op het pad.
Kadek en ik blijven achter op het terras, en ik schenk de glazen nog maar eens vol. Ik vraag aan Kadek wat hij vindt van Gede's vreemde gedrag van zoeven. Kadek haalt z'n schouders op, en zegt dat Gede waarschijnlijk al een glaasje teveel gedronken heeft en nu spoken ziet, of hoort. Hij moet zelf hartelijk lachen om die opmerking.
Gede en Ketut zijn inmiddels al weer een minuut of vijf weg, en ik begin me enigszins ongerust af te vragen, of alles wel in orde met ze is. Dan, plotseling, het geluid van rennende voetstappen. Ik zie Gede hals over kop de tuin binnen rennen, en in z'n haast om op de veranda te komen, gliijdt hij bijna uit op het grindpad. Ketut volgt hem (iets rustiger) op z’n hielen. Maar beide zijn duidelijk van streek.
Gede begint gehaast te praten, en vertelt met opgewonden stem dat hij 'rode lichtjes' heeft gezien in de kokosplantage, lichtpuntjes zoals dat van wierook die ineens enorm opgloeiden in het pikkedonker van de plantage. Zodra hij dat zag, is hij teruggerend naar de tuin.
Ik sta op om dat fenomeen met eigen ogen te gaan aanschouwen en loop naar het tuinhek, gevolgd door anderen. De plantage ligt gehuld in een totale duisternis. De honden blaffen nog steeds, maar er zijn geen lichtjes te zien.
“Daar,..daar...!” roepen Gede en Ketut tegelijk. Ze wijzen naar het zuidoostelijke deel van de donkere plantage. Ik buk voorover en kijk in de richting die ze aanwijzen. Dan zie ik het ook. Ongeveer vijftig meter van me vandaan, op de plek waar een paar weken geleden een oude, enorme kokospalm is omgehakt, gloeien drie lichtjes, onbeweeglijk, met een zachte rode glans. De lichtjes zijn helderder dan de vuurgloed van wierookstaafjes. Ze flakkeren niet, maar gloeien gelijkmatig en constant, met een zachte glans. Na zo'n vijftien seconden zijn ze plotseling verdwenen. Een twintigtal seconden later zie ik ze ineens weer opgloeien, op dezelfde plek waar ik ze de eerste keer zag, maar nu bewegen ze. Ik zie ze nu langzaam op en neer zweven.
Nieuwsgierig stap ik de plantage in met de intentie om dit fenomeen van wat dichterbij te gaan bekijken. De onderdrukte stemmen van de anderen roepen me echter terug:
“Nee, nee, niet doen! Kom terug op het pad... ze zijn gevaarlijk!”.
Er klinkt duidelijk angst in hun stemmen, dus ik keer ik terug naar het pad om daar nog een tijdje naar het oplichten en doven van die mysterieuze rode lichtjes te kijken. Gede fluistert in mijn oor dat het ‘leyaks’ zijn, beoefenaars van zwarte magie!.
Als we weer op de veranda zijn teruggekeerd, vraag ik aan Gede of hij zoiets al eerder heeft meegemaakt, en of hij er meer over weet te vertellen. Hij vertelt me, met merkbare tegenzin, dat het mensen zijn die de lontars hebben bestudeerd en daardoor in staat zijn zich te transformeren in een dier, zoals een aap, een varken, of een uil. Hij zegt dat op het moment van zo'n transformatie vaak van dergelijke rode lichtjes waar te nemen zijn, maar het fijne weet hij er niet van. Ook weet hij te vertellen, dat leyaks erop uit zijn om anderen ziek te maken, je kunt door zo'n leyak zelfs gedood worden, beweert hij.
Gede is duidelijk ongerust over die ervaring met de leyaks in de plantage, en hij zegt dat hij morgen naar een balian gaat, om het zekere voor het onzekere te nemen. Die balian kan zien, zo zegt hij, of die confrontatie met de leyaks schadelijke gevolgen voor je hebben gehad, en hij kan eventuele schadelijke gevolgen teniet doen.
Ik vraag hem of ik niet met hem mee kan, als hij morgen bij die balian op bezoek gaat. Niet dat ik bang ben dat me wat is overkomen, maar gewoon omdat ik nieuwsgierig ben hoe zo'n balian te werk gaat. Gede zegt dat hij daar geen bezwaar tegen heeft, en we spreken af dat we die balian in de loop van de ochtend, rond elf uur, zullen gaan opzoeken.
Dan staat hij op en verontschuldigt zich, en zegt dat hij nu het liefst direct naar huis toe gaat. Kadek zegt dat hij ook naar huis wil. Ze nemen snel afscheid, en verdwijnen dan op hun motor over het donkere pad naar de hoofdweg.
Nadat ze nogal gehaast vertrokken zijn, sluit ik het tuinhek en brand wat wierook, net voor het hek in de tuin. Terug op de veranda zeg ik tegen Ketut, dat ik nog even ga kijken en luisteren op het pad. Wellicht gebeurt er nog meer deze nacht. Ketut reageert nerveus, en zegt dat ze niet langer buiten wil blijven. Ze gaat naar haar slaapkamer en draait de deur achter zich op slot..
Ik loop terug naar het tuinhek en tuur de plantage in. De honden zijn inmiddels opgehouden met blaffen, en alles is nu stil en donker. De rode lichtjes vertonen zich niet meer. Plotseling hoor ik, vanuit het noorden van de donkere plantage, huilende kreten in een hoge monotone toon (zoals de uithalen van een huildende baby). Na enige minuten stopt het geluid, en laat de duisternis in een drukkende stilte achter. Ik ril even, en keer terug naar de veranda.
De klok geeft aan dat het is inmiddels net even over middernacht is. Ik ben benieuwd naar wat me morgen te wachten staat, als we op bezoek zijn bij de balian. Dan draai ik de lichten van de keuken en de veranda uit, en zoek mijn bed op.